“Vandaag heb ik die dromen niet meer”  
Home > Thema's > Spiritualiteit > “Vandaag heb ik die dromen niet meer”
Vertalingen: Nederlands Español 

“Vandaag heb ik die dromen niet meer”

Kardinaal Carlo M.Martini, jezuïet, exegeet, destijds aartsbisschop van Milaan en nu mijn collega met Parkinson, is een kerkman van dialoog, van ontvankelijkheid, van diepe vernieuwing, zowel van de kerk als van de maatschappij.

In zijn boek met bekentenissen en belijdenissen Nachtelijke gesprekken in Jeruzalem, verklaart hij: “Vroeger had ik dromen over de kerk. Ik droomde van een kerk die haar weg gaat in armoede en nederigheid, die niet afhankelijk is van de machten van deze wereld; waaruit de wortel van het wantrouwen weggehaald zou worden; die meer ruimte zou geven aan mensen; die moed zou geven, vooral aan mensen die zich klein of zondig voelen. Ik droomde van een jonge kerk. Vandaag de dag heb ik die dromen niet meer.”

Die onvoorwaardelijke uitspraak van Martini is geen verklaring van mislukking, van teleurstelling in de kerk, van afzien van een utopie, kan dat allemaal niet zijn. Martini ging door met dromen, niet meer en niet minder, over het koninkrijk dat de utopie van de utopieën is, een droom over God zelf.

Hij en wij, miljoenen mensen in de kerk, dromen dat een ‘andere kerk mogelijk is’, ten dienste van een ‘andere wereld die mogelijk is’. En kardinaal Martini is een goede getuige en een goede gids op de alternatieve weg; dat heeft hij bewezen.

Zowel in de kerk (in de kerk van Jezus, dat zijn verscheidene kerken) als in de maatschappij (dat zijn verscheidene volken, verscheidene culturen, verscheidene historische processen) moeten wij nu meer dan ooit radicaliseren in het zoeken naar gerechtigheid en vrede, naar menselijke waardigheid en naar gelijkheid en andersheid, naar de waarachtige vooruitgang binnen een diepgaande ecologie.

Zoals Norberto Bobbio zegt, “de vrijheid moet in het hart zelf van de gelijkheid geplaatst worden”; vandaag de dag met een visie en een actie die geheel en al op de wereld is gericht. Dat is die andere globalisering die onze opinieleiders, onze actievoerders, onze martelaren, onze hongerigen… opeisen.

De grote huidige economische crisis is een globale crisis van menselijkheid die met geen enkel type kapitalisme opgelost zal worden, want er bestaat geen menselijk kapitalisme; het kapitalisme is en blijft een moord, een ecologische moord, een zelfmoord.

Het is onmogelijk tegelijk de god van de banken te dienen en de God van het leven, de overmacht en uitbuiting samenbrengen met het samenleven van broers en zusters. Waar alles om draait is: gaat het om het redden van het systeem of gaat het om het redden van de menselijkheid? Bij grote crises moeten grote kansen benut worden. In de Chinese taal heeft het woord crisis een dubbele betekenis: crisis als gevaar en crisis als kans.

In de verkiezingscampagne van 2008 van de Verenigde Staten werd herhaaldelijk hoog opgegeven van ‘de droom van Luther King’, omdat men die droom opnieuw tot leven wilde roepen; en bij gelegenheid van de 50ste verjaardag van het bijeenroepen van Vaticanum II werd met heimwee het Pact van de Catacomben van de dienstbare en arme kerk in herinnering gebracht.

Op 16 november 1965, enkele dagen voor de sluiting van het Concilie, gingen veertig concilievaders de eucharistie vieren in de Romeinse catacomben van Domitila en ondertekenden daar het Pact van de Catacomben. Dom Helder Camara, wiens honderdste geboortedag we dit jaar (2009/red.) vieren, was een van de voornaamste bezielers van de profetische groep. Het Pact drong in zijn dertien punten aan op de evangelische armoede van de kerk, zonder eretitels, zonder privileges en zonder wereldse opsmuk; drong aan op collegialiteit en op de medeverantwoordelijkheid voor de kerk als Volk van God, en op de openheid naar de wereld en op de broederlijke omgang.

Nu, in de verwarde conjunctuur van vandaag, belijden wij de geldigheid van veel sociale, politieke en kerkdromen, waar we geen afstand van kunnen doen. Wij gaan door met het verwerpen van het neoliberale kapitalisme, het neo-imperialisme van het geld en van de wapenen, de markt van de economie en van de consumentisme die een grote meerderheid van de mensheid in armoede en honger begraaft.

We gaan door met het verwerpen van elke discriminatie op grond van sekse, cultuur, ras. Wij eisen een wezenlijke verandering in mondiale instellingen (UNO, IMF, Wereldbank, WHO…). Wij verbinden ons om een ‘diepgaande en integrale ecologie’ tot leven te roepen, en staan een alternatieve landbouwpolitiek voor in plaats van de roofbouwpolitiek van het grootgrondbezit, van de monocultuur en van de landvergiftiging. Wij zullen deelnemen in de sociale, politieke en economische veranderingen ten bate van een democratie van ‘hoog gehalte’.

Als kerk willen we, in het licht van het evangelie, de obsessieve passie van Jezus, het koninkrijk, leven. Wij willen de kerk van de voorkeur voor de armen zijn, oecumenische en ook macro-oecumenische gemeenschap.

De God in wie wij geloven, de Abba van Jezus, kan op geen enkele wijze oorzaak van fundamentalismen zijn, van uitsluitingen, van verstikkende insluitingen, van zieltjeswinnende trots. Het is al genoeg als we van onze God de enig waarachtige God maken. “Mijn God, laat mij God zien?” Met alle respect voor de mening van paus Benedictus XVI, de interreligieuze dialoog is niet alleen mogelijk, hij is noodzakelijk.

Wij zullen van de medeverantwoordelijkheid voor de kerk de legitieme uitdrukking maken van een volwassen geloof. Wij zullen, een eeuwenlange discriminatie corrigerend, de volledige gelijkheid van de vrouw in het leven en in de ambten van de kerk eisen. Wij zullen de vrijheid van onze vrouwelijke en mannelijke theologen stimuleren en hun dienst erkennen.

De kerk zal een netwerk van biddende, dienstbare, profetische gemeenschappen zijn, getuigen van de Blijde Boodschap: een Nieuwe Boodschap van leven, van vrijheid, van gelukkige gemeenschappelijkheid. Een Nieuwe Boodschap van compassie, van verwelkoming, van vergeving, van innigheid, Samaritaanse langs alle wegen van de mensheid.

Wij zullen voortgaan met eraan te werken dat in de praktijk van het kerk zijn de waarschuwing van Jezus wordt geleefd: “Zo zal het bij jullie niet zijn” (Mt 21,26): dat het gezag een dienstverlening zij. Het Vaticaan zal ophouden een staat te zijn en de paus geen staatshoofd meer. De Curie zal een diepgaande hervorming moeten ondergaan en de lokale kerken zullen de inculturatie van het evangelie cultiveren en de ambten met allen delen.

De kerk zal zich zonder angst en zonder schipperen verplichten tot de grote zaak van gerechtigheid en vrede, van de mensenrechten en van de erkende gelijkheid van alle volken. Zij zal de profetenstem zijn van de verkondiging, van de aanklacht, van de troost. De politiek die alle christenen, mannen en vrouwen, beleven, zal die zijn welke “uitdrukking van de allerhoogste broederlijke liefde” is (Pius XI).

Wij weigeren deze dromen op te geven ook al kunnen ze een hersenschim lijken. “Wij zingen nog, wij dromen nog”.

Wij houden ons aan het woord van Jezus: “Het vuur ben ik komen brengen naar de aarde; en wat kan ik anders willen dan dat het brande” (Lc 12,49).

Met nederigheid en moed – en hierin volgen wij Jezus na – zullen wij zien hoe we deze dromen kunnen leven, elke dag dat wij leven.

Er zal altijd crisis blijven en de mensheid, met haar godsdiensten en haar kerken, zal altijd heilig en zondares blijven. Maar wereldwijde campagnes van solidariteit zullen er ook altijd zijn: de Sociale Fora, de Wegen van de mensen op het platteland, de volksbewegingen, de veroveringen van de mensen zonder grond, de ecologische verbonden, de alternatieve wegen van Ons Amerika, de kerkelijke basisgemeenschappen, de verzoeningsprocessen tussen Shalom en Salam, de overwinningen van de indiaanse en Afrikaanse bevolkingsgroepen, en, in elk geval, eens te meer en voor altijd “houd ik me bij wat gezegd is: de Hoop”.

Voor iedereen, man en vrouw, die deze broederlijke circulaire bereikt, in gemeenschappelijkheid van het religieuze geloof of van de menselijke passie, ontvang een omhelzing, net zo groot als deze dromen. Wij, ouderen, hebben nog visioenen, zegt de Bijbel (Joël 3,1). Een paar dagen geleden las ik deze definitie: “De ouderdom is een soort eerste jaren na de oorlog”, niet noodzakelijkerwijze een afgang. Parkinson is alleen maar een pech onderweg en we gaan verder het koninkrijk binnen.

Pedro Casaldáliga

Dom Pedro Casaldáliga is emeritus bisschop van de Prelatuur São Félix do Araguaia in Brazilië. Geboren in Spanje en ingetreden bij de Claretianen, vertrok hij op 40 jarige leeftijd (1968) als missionaris naar de Mato Grosso van Brazilië, waar hij al spoedig bisschop werd. Hij schreef enkele boeken over spiritualiteit en bevrijdingstheologie en nog regelmatig publiceert hij circulaires. Bovenstaande circulaire schreef hij in 2009 en is overgenomen van Adital. Voor het beroemde Pact van de Catacomben zie hieronder.

 

Het Pact van de Catacomben

Een groep bisschoppen hebben gedurende het Tweede Vaticaans Concilie, in 1965, samengekomen in de Catacomben van de heilige Domitila, het Pact van de Catacomben ondertekend. Initiatiefnemer en leider ervan was Dom Helder Camara, aartsbisschop van Recife, Brazilië, die een hiermee een waardevolle poging deed om op een betere manier de Kerk van Jezus weer te geven, gemeenschap van de gelovigen. Op 16 november 1965, weinig dagen vóór de sluiting van het Concilie, vierden ongeveer 40 concilievaders de eucharistie in de Catacomen van de heilige Domitila. Zij baden om “trouw te zijn aan de geest van Jezus” en op het einde van de viering ondertekenden zij het ‘pact van de catacomben’.

Het ‘pact’ is een uitnodiging aan de “broeders in het bisschopsambt” om een “leven van armoede” te leven en een kerk “dienares en arm” zoals Johannes XXIII het wilde. De ondertekenaars – onder hen vele Brazilianen en andere Latijns-Amerikanen, waarbij nog weer anderen zich later voegden – verplichtten zich om in armoede te leven, om alle symbolen van voorrechten en macht te weigeren en om de armen in het centrum van hun pastorale ambt te plaatsen.

Het Pact van de Catacomben

Wij, bisschoppen, verenigd in het Tweede Vaticaans Concilie, bewust van de gebrekkigheden van ons leven in armoede volgens het evangelie, door elkaar gemotiveerd voor een initiatief waarin ieder van ons heeft vermeden de ander te overtreffen en uit te munten, in verbondenheid met alle onze broeders in het bisschopsambt, daarbij vooral steunend op de genade en kracht van onze Heer Jezus Christus, en op het gebed van de gelovigen en priesters van onze bisdommen, ons opstellend in gedachte en gebed voor de Drie-eenheid, voor de Kerk van Christus en voor de priesters en gelovigen van onze bisdommen, in nederigheid en bewustzijn van onze zwakheid maar ook in vastbeslotenheid en in de kracht die God ons wil geven als zijn genade, verplichten wij ons tot het volgende:

  1. Wij zullen ervoor zorgen te leven zoals de gewone mensen in ons land wat betreft de woning, het eten, het vervoer en alles wat daaruit voortvloeit. Mt 5,3; 6,33v; 8,20.
  2. Wij zullen voor altijd afzien van uiterlijk vertoon en van echte rijkdom, bijzonder in onze kleding (dure kleding, opvallende kleuren) en in symbolen van edele metalen (deze tekenen moeten heel duidelijk evangelisch zijn). Mc 6,9; Mt 10,9; Hand 3,6. Geen goud en geen zilver.
  3. Wij zullen geen roerende of onroerende goederen bezitten en wij zullen geen bankrekeningen hebben, enz. op eigen naam; en als het toch nodig is iets te bezitten, dan zullen wij alles op naam van het bisdom zetten of van de sociale en charitatieve werken. Mt. 6,19-21; Lc 12,33v.
  4. Wij zullen zoveel mogelijk het financiële en materiële beheer van ons bisdom toevertrouwen aan een commissie van deskundige leken die bewust zijn van hun apostolische rol, zodat wij minder boekhouders zijn en meer herders en apostelen. Mt 10,8; Hand 6,1-7.
  5. Wij verwerpen dat men ons in spreken of schrijven met namen en titels noemen die grootheid en macht uitdrukken (Eminentie, Excellentie, Monseigeur…). Wij geven er de voorkeur aan dat men ons noemt met de evangelische naam van Vader. Mt 20,25-28; 23,6-11; Joh 13,12-15.
  6. In ons gedrag en sociale contacten zullen wij alles vermijden dat kan lijken op het toestaan van privileges, voorrang of ook voorkeur voor de rijken en de machtigen (bijvoorbeeld bij feestmalen aangeboden of aangenomen, bij religieuze diensten). Lc 13,12-14; 1Kor 12,4.
  7. Evenzo zullen wij vermijden de ijdelheid van wie dan ook te stimuleren of te vleien, bij beloningen of het vragen van hulp, of om welke andere reden dan ook. Wij zullen onze gelovigen vragen hun bijdragen te beschouwen als een normale deelname aan de vieringen, aan het apostolaat en aan de sociale actie. Mt 6,2-4; Lc 15,9-13; 2Kor 12,4.
  8. Wij zullen al wat noodzakelijk is aan tijd, bezinning, hartelijkheid, middelen, enz. geven voor apostolaat en pastoraal aan de personen en groepen arbeiders en economische zwakkeren en minder oontwikkelden, zonder dat dit andere personen en groepen van het bisdom benadeelt. Wij zullen leken, religieuzen, diakens en priesters steunen die de Heer roept om de armen en arbeiders het evangelie te brengen, hun leven en werken te delen. Lc 4,18v; Mc 6,4; Mt 11,4v; Hand 18,3v; 20,33-35; 1Kor 4,12 en 9,1-27.
  9. Bewust van de eisen van de gerechtigheid en van de liefde, en van hun wederzijdse betrokkenheid, zullen wij ervoor zorgen om de werken van liefdadigheid om te vormen naar sociale werken gebaseerd op de liefde en op de gerechtigheid, die rekening houdt met allen, mannen en vrouwen, als een simpele dienst aan de bevoegde openbare instellingen. Mt 25,31-46; Lc 13,12-14 en 33v.
  10. Wij zullen al het mogelijke doen opdat de verantwoordelijken van onze regering en van onze openbare diensten over die sociale wetten, structuren en instituties besluiten en ze in praktijk brengen die noodzakelijk zijn voor de gerechtigheid, de gelijkheid en de harmonieuze en algehele ontwikkeling van heel de mens en van alle mensen, en, op deze wijze, voor de komst van een nieuwe sociale orde die de kinderen van de mensen en de kinderen van God waardig zijn. Cfr. Hand 2,44v; 4,32-35; 5,4; 2Kor 8 en 9; 1Tim 5,16.
  11. Opdat de collegialiteit van de bisschoppen haar meest volledige evangelische verwezenlijking vindt in de gezamenlijke dienstbaarheid aan de grote meerderheid in fysieke, culturele en morele ellende – tweederden van de mensheid – verplichten wij ons:
    - om te delen, na ons vermogen, in de urgente projecten van de bisschoppen in de arme landen;
    - om gezamenlijk te verzoeken, op het niveau van de internationale organisaties, en altijd getuigend van het evangelie zoals paus Paulus VI bij de Verenigde Naties deed, dat er economische en culturele structuren worden aangenomen die geen arme naties te weeg brengen in een steeds rijkere wereld, maar die bewerken dat de arme meerderheden uit hun ellende bevrijd worden
  12. Wij verplichten ons om ons leven in pastorale liefde te delen met onze broeders in Christus, priesters, religieuzen en leken, opdat ons ambt een waarachtige dienst worde.
    Aldus,
    - zullen wij ons inspannen om ‘ons leven te herzien’ met hen;
    - zullen wij medewerkers zoeken om meer bezielers zijn naar de Geest dan heersers naar de wereld;
    - zullen wij ons beijveren om, zo veel als menselijk mogelijk is, aanwezig te zijn en gastvrij;
    - zullen wij ons voor allen open tonen, van welke religie zij ook zijn. Mc 8,34v; Hand 6,1-7;  1Tim 3,8-10.
  13. Wanneer wij terugkeren naar onze bisdommen zullen wij deze besluiten mededelen aan onze gelovigen en wij zullen hun vragen ons te helpen met hun begrip, hun medewerking en hun gebeden.

Moge God ons helpen om hieraan trouw te zijn.

Ondertekenende bisschoppen

Mons. Charles M. Himmer, b. van Tournai, België
Dom. Helder Camara, aartsb. van Recife, Brazilië
D. Antonio Fragoso, b. van Crateus, Brazilië
D. Francisco Austregésilo de Mesquita Filho, b.van Afogados de Ing. Brazilië
D. Joao Batista de Mota e Alburquerque aartsb. van Vitoria, Brazilië
D. Luiz Fernández, hulpb. van Vitoria, Brazilië
D. Jorge Marcos de Oliveira, b. van Santo André, Brazilië
D. Henrique Golland Trindate O.F.M., aartsb. van Botucatu, Brazilië
D. José M. Pires, aartsb. van Paraiba, Brazilië
D. Cándido Padín, b. van Lorena, Brazilië
Mons. Georges Mercier, b. van Laghouat, Sahara, Afrika
Mons. Hakim, Melktische b. van Nazaret, Israël
Mons. Hadad, Melktische hulpb. van Beiroet, Libanon
Mons. Gérard Mario Coderre, b. van S. Jean, Quebec, Canada
Mons. Rafael González, hulpb. van Valencia, Spanje
Mons. Julius Angerhausen, hulpb. van Essen, Duitsland
Mons. Guy Marie Riobé, b. van Orleans, Frankrijk
Mons. Gerard M. Huyghe, b. van Arras, Frankrijk
Mons. Adrien Gand. hulpb. van Lille, Frankrijk
Mons. Luigi Betazzi, hulpb. van Bologna, Italië
Mons. Bernard Yago, aartsb. van Abidjan, Ivoorkust, Afrika
Mons. Joseph Blomjous, b. van Mwanza, Tanzania, Afrika (van Nederlandse afkomst)
Mons. Charles Joseph de Melckebeke (uit China gezet, sindsdien woonachtig in Singapore, Apostolisch Visitator van de diasporakatholieken van China, van Belgische afkomst)

Ook bisschoppen uit Vietnam en Indonesië behoorden tot de ondertekenaars

In de groep bisschoppen Opus Angeli, Kerk van de Armen, zaten ook de volgende bisschoppen maar van hen staat niet vast dat zij gedurende de eucharistieviering onderttekend hebben:

Mons. Manuel Larrain b. van Talca, Chili en president van CELAM
Mons. Marcos G. Mc.Grat, b. van Santiago de Veraguas, Panama, secretaris generaal van de CELAM
Mons. Leonidas Proaño, b. van Ríobamba, Ecuador
Mons. Alberto Devoto, b.van Goya, Argentinië
Mons. Vicente F. Zazpe, aartsb. van Sta. Fe, Argentinië
Mons. J. José Iriarte, b. van Reconguista, Argentinië
Mons. Alfredo Viola, b. van Salta, Uruguay
Mons. Tulio Botero Salazar, aartsb. van Medellín, Colombia
Mons. Raúl Zambrano, b. van Facatativá, Colombia
En naderhand ook D. Sergio Méndez, aartsb. en D. Samuel Ruíz uit Mexico



Op dit moment zijn er nog geen bijdragen voor dit thema.

Terug naar "“Vandaag heb ik die dromen niet meer”" | Naar boven

Disclaimer
EnglishDeutschFrancaisEspanol