Het Woord van God in het leven en de zending van de kerk  
Home > Thema's > Oecumene > Het Woord van God in het leven en de zending va...
Vertalingen: Nederlands English Deutsch Français Español 

Het Woord van God in het leven en de zending van de kerk

Uwe Heiligheid, Vaders dezer Synode,

Het wekt zowel een gevoel van nederigheid als van enthousiasme de eer te hebben uitgenodigd te worden door Uwe Heiligheid om de twaalfde gewone algemene vergadering van deze illustere bisschoppensynode toe te spreken, een historische bijeenkomst van bisschoppen van de rooms-katholieke kerk uit geheel de wereld, bijeengekomen op één plek om na te denken over het Woord van God en te discussiëren over de ervaring met en inhoud van dit Woord in het Leven en de Missie van de Kerk.

Deze aimabele uitnodiging van Uwe Heiligheid gericht aan mijn nederige persoon is een gebaar vol betekenis - we mogen wel zeggen een historische gebeurtenis in zichzelf. Want het is de eerste keer in de geschiedenis dat een oecumenisch patriarch de gelegenheid wordt geboden om de bisschoppensynode van de rooms- katholieke kerk toe te spreken en zo deel te worden van het leven van deze zusterkerk op zo’n hoog niveau. Wij beschouwen dit als teken van het werk van de heilige Geest die onze twee kerken tot een nauwere en diepere band leidt, een belangrijke stap naar een herstel van ons volledig samengaan.

Het is alom bekend dat de orthodoxe kerk aan het synodale systeem fundamentele ecclesialogische waarde toekent. Te samen met het primaatschap vormt synodaliteit de ruggengraat van het kerkelijk bestuur en de kerkelijke organisatie. Zoals onze gezamenlijke internationale commissie voor de theologische dialoog tussen onze kerken het uitdrukte in het Ravenna Document, loopt de wederzijdse afhankelijkheid tussen synodaliteit  en primaatschap door alle lagen van het kerkelijke leven: lokaal, regionaal en universeel. Het voorrecht  uw synode vandaag toe te spreken wekt daarom de hoop dat de dag zal komen dat onze twee kerken volledig zullen convergeren op het punt van kerkelijk primaatschap en synodaliteit, waarop onze gemeenschappelijke theologische commissie thans studeert.

Het thema waaraan deze episcopale synode werkt is van cruciaal belang, niet alleen voor de rooms-katholieke kerk, maar ook voor allen die geroepen zijn in onze tijd van Christus te getuigen. Missie en evangelisatie blijven een permanente plicht van de kerk te allen tijde en overal; ze zijn zelfs deel van de aard der kerk, omdat ze apostolisch genoemd wordt zowel in de zin dat ze trouw is aan de oorspronkelijke prediking van de apostelen als in de zin van het verspreiden van Gods Woord in elke culturele context, wanneer dan ook. De kerk moet daarom het Woord Gods in elke generatie herontdekken en het met hernieuwde kracht doen uitgaan in onze huidige wereld die diep in haar hart dorst naar Gods boodschap van vrede, hoop en liefdadigheid.

Deze evangelisatieplicht zou natuurlijk bijzonder gestimuleerd en versterkt worden, als alle christenen in staat waren hem met één stem vorm te geven, als een geheel verenigde kerk. In zijn gebed tot de Vader kort voor zijn kruisiging maakte onze Heer duidelijk dat de eenheid  van de kerk onlosmakelijk verbonden is met haar missie “zodat de wereld kan geloven” (Joh. 17, 21). Het is daarom heel toepasselijk dat deze synode haar deuren heeft geopend voor afgevaardigden van de oecumenische broeders, zodat we allemaal ons bewust worden van zowel onze gemeenschappelijke plicht tot evangelisatie als van de moeilijkheden en problemen van vandaag om deze plicht te realiseren. Deze synode heeft ongetwijfeld het Woord Gods diepgaand en in al zijn aspecten bestudeerd, theologisch zowel als praktisch en pastoraal. In onze bescheiden toespraak zullen we ons beperken tot het delen met u van enkele gedachten over het thema van uw bijeenkomst, ons baserend op de manier waarop de orthodoxe traditie het door de eeuwen heen heeft benaderd en, meer bijzonder, op de Griekse patristische  traditie. Meer concreet, willen we ons concentreren op drie aspecten van het onderwerp, namelijk: op het horen en spreken van Gods Woord door de heilige Boeken; op het beschouwen van Gods Woord in de natuur en bovenal in de schoonheid van de iconen; en ten slotte op het aanraken en delen van Gods Woord in de gemeenschap der heiligen en het sacramentele leven van de kerk. Al deze aspecten, zo denken wij, zijn cruciaal in het leven en de missie van de kerk. Zo doende proberen wij een rijke patristische traditie te schetsen, die teruggaat tot de vroege derde eeuw en een doctrine uiteenzet van vijf geestelijke zintuigen. Want het luisteren naar Gods Woord, het aanschouwen ervan, en het aanraken van Gods Woord zijn allemaal geestelijke manieren van het zien van het unieke goddelijke mysterie. (Gebaseerd op ‘Gezegden 2.5’ over “het goddelijk vermogen van perceptie”. Origenes van Alexandrië stelt: Deze zintuigen manifesteren zich als het gezichtsvermogen om onstoffelijke vormen te kunnen beschouwen, het gehoor om stemmen te kunnen horen, smaak voor het proeven van het levend brood, het reukvermogen om zoete spirituele geur te kunnen ruiken en tastzin om het Woord Gods, dat elk vermogen van de ziel omsluit, te kunnen aanraken.

De geestelijke zintuigen worden nu eens beschreven als “de zintuigen van de ziel”, als “goddelijk” of “innerlijke vermogens” en zelfs als “vermogens van het hart” of “geest”. Deze doctrine inspireerde zowel de theologie van de Cappadociërs (speciaal Basilius de Grote en Gregorius van Nyssa) als de theologie van de woestijnvaders (vooral Evagrius van Pontis en Macarius de Grote).

1. Het Woord horen en spreken door de heilige Schrift

Bij iedere viering van de heilige Liturgie van St Johannes Chrysostomus, smeekt de celebrant tijdens de Eucharistie “dat wij waardig mogen worden het Evangelie te aanhoren”. Want “het horen, aanschouwen en hanteren van het woord des levens” (1 Joh. 1, 1) komen ons niet zomaar toe of zijn ons geboorterecht als menselijke wezens, ze zijn ons privilege en geschenk als kinderen van de levende God. De christelijke kerk is boven alles een kerk van de Schriften. Alhoewel de manieren waarop we die hebben geïnterpreteerd verschild hebben van de ene kerkvader naar de andere, ofwel van school tot school en van oost tot west, de Schriften zijn desalniettemin gezien en ervaren als levende realiteit en geen dode letter. In de context van een levend geloof zijn de Schriften dus een levend getuigenis van een doorleefde geschiedenis over de relatie van een levende God met een levend volk. Het Woord, “dat door de profeten sprak” (de Nicea-Constantinopel Geloofsbelijdenis), sprak om gehoord te worden en effect te hebben. Het is in de eerste plaats een mondelinge en directe communicatie, bedoeld voor mensen die er baat bij konden hebben. De tekst van de Schriften is daarom een afgeleide en secundaire; de tekst van de Schriften dient altijd het gesproken woord. Het wordt niet mechanisch overgebracht, maar gecommuniceerd van generatie op generatie als een levend woord. Door de profeet Jesaja belooft de Heer: “Zoals de regen en de sneeuw uit de hemel neerdalen, en daarheen pas terugkeren als zij de aarde hebben gedrenkt … zo zal het ook gaan met mijn woord, dat voortkomt uit mijn, … het keert pas terug wanneer het alles heeft volvoerd waartoe Ik het heb gezonden. (Jes. 55, 10-11). Bovendien, zoals St Johannes Chrysostomus verklaart, vertoont het Woord Gods een diep bewustzijn van persoonlijke verschillen en culturele contexten in diegenen die het horen en in zich opnemen. Aanpassing aan specifieke persoonlijke bereidheid en bijzondere culturele context van het Woord Gods is de missionaire dimensie van de kerk, die geroepen is de wereld te hervormen door het Woord. Zowel in stilte als in verkondiging, in gebed zowel als in actie richt het goddelijk Woord zich tot de hele wereld: “alle volkeren tot leerling makend” (Mt. 28, 19), zonder privilege of vooroordeel ten opzichte van ras, cultuur, geslacht of stand. Als we die goddelijke opdracht uitvoeren worden we gerust gesteld: “Weet wel, ik ben met jullie”(Mt. 28, 20). Wij zijn geroepen het goddelijk Woord te spreken in alle talen, “alles wordend wat je maar wilt om in elk geval een paar mensen te redden” (1 Kor. 9, 22).

Als discipelen van Gods Woord derhalve, is het vandaag de dag geboden dat we meer dan ooit een eenvormig perspectief bieden, om balans te brengen in een over de aarde verspreide wereld, om fundamentalisme of racisme te bestrijden en religieuze tolerantie te bewerkstelligen in een wereld in conflict. Beantwoordend aan de behoeften van de armen, kwetsbaren en gemarginaliseerden in deze wereld, kan de kerk een bepalende factor blijken in het definiëren van de ruimte en het karakter van de wereldgemeenschap. Terwijl het theologisch taalgebruik van religie en spiritualiteit verschilt van het technisch vocabulaire van economie en politiek, blijken de barrières die op het eerste gezicht religieuze zorgen (zoals zonde, redding en spiritualiteit) scheiden van pragmatische belangen (als handel, zaken en politiek), niet ondoordringbaar, en verkruimelen ze in het zicht van de vele uitdagingen als sociale rechtvaardigheid en globalisering waarmee de wereld wordt geconfronteerd.

Of we nu te maken hebben met milieuproblemen, vredesvraagstukken, armoede of honger, onderwijs of gezondheidszorg, er bestaat heden ten dage een steeds sterker wordend gevoel van gemeenschappelijke taken en gemeenschappelijke verantwoordelijkheid, dat bijzonder scherp gevoeld wordt zowel door gelovige mensen als door hen die alleen maar uit een seculier standpunt ernaar kijken.

Onze betrokkenheid op dergelijke problemen ondermijnt of  beëindigt natuurlijk in genen dele de verschillen tussen onze aanpak of optiek en die van hen die een andere kijk op de wereld hebben. Toch zijn de tekenen van een groeiende gemeenschappelijke betrokkenheid bij het welzijn van de mensheid en het reilen en zeilen van de wereld, bemoedigend. Het is een ontmoeting van individuen en instituten die veel goeds inhoudt voor onze wereld. En het is een betrokkenheid die de hoge roeping en missie van de discipelen en aanhangers van het Woord Gods in het licht zet om politieke en religieuze verschillen te ontstijgen om de hele zichtbare wereld te hervormen voor de glorie van de onzichtbare God.

2. Het zien van Gods Woord – de schoonheid van iconen en de natuur.

Nergens anders wordt het onzichtbare meer zichtbaar dan in de pracht van iconografie en het wonder der schepping. In de woorden van de kampioen van heiligenbeelden, St Jan van Damascus: “Als schepper van hemel en aarde was God als het Woord, zelf de eerste die iconen schilderde en portretteerde”. Iedere streek van het penseel van de iconograaf  - net als ieder woord van een theologische definitie, iedere muzieknoot gezongen in het psalmenlied, en iedere gebeeldhouwde steen in een kleine kapel of overweldigende kathedraal -  spreekt in zijn vormgeving het goddelijk Woord, het Woord dat God prijst in ieder levend wezen en alles wat leeft. (cf. Ps. 150, 6)

In het accepteren van heilige beelden, was het 7e oecumenische concilie van Nicea niet bezig met religieuze kunst; het was een voortzetting en bevestiging van vroegere definities van de volheid van de menselijkheid van Gods Woord. Iconen zijn zichtbare herinneringen aan onze hemelse roeping; zij zijn uitnodigingen om uit te stijgen boven de alledaagse kleine besognes en minne reducties van de wereld. Ze zetten ons aan om het buitengewone te zoeken  in het heel gewone, om ons te laten vervullen van dezelfde verwondering die het mirakel in Genesis kenmerkte: “God bezag alles wat Hij gemaakt had en Hij zag dat het heel goed was” (Gen. 1, 31). Het Griekse (Septuagint) woord voor “goedheid” is ‘kallos’, hetgeen impliceert – etymologisch en symbolisch – een gevoel van geroepen zijn. Iconen onderstrepen de fundamentele missie van de kerk om te erkennen dat alle mensen en dingen geschapen zijn en goed en mooi moeten zijn.

Iconen herinneren ons er inderdaad aan dat er een andere manier is van naar dingen kijken, een andere manier van het ervaren van de werkelijkheid, een andere manier van het oplossen van conflicten. Er wordt ons gevraagd om een, wat de hymnologie van paaszondag noemt “een andere manier van leven” aan te nemen. We hebben immers ons arrogant en slordig gedragen tegenover de natuurlijke schepping. We hebben geweigerd Gods Woord te zien in de oceanen van onze planeet, in de bomen van onze continenten, en in de dieren op onze aarde. We hebben onze eigen aard verloochend, die ons aanzet om ons diep te buigen, diep genoeg om Gods scheppend Woord te horen als we “deel willen krijgen aan Gods eigen wezen” (2 Petr. 1, 4). Hoe konden we de diepere implicaties van het goddelijk Woord dat mens werd, missen? Waarom zien we de geschapen natuur niet als een extensie van het Lichaam van Christus?

Oosterse christelijke theologen hebben de kosmische proporties van  de goddelijke menswording altijd benadrukt. Het vleesgeworden Woord is een intrinsiek deel van de schepping, door God geuit en zo gerealiseerd. St Maximus de Belijder hamert op de tegenwoordigheid van Gods Woord in alles wat bestaat (Kol. 3, 11); het Goddelijke ‘Logos’ bevindt zich centraal in deze wereld, op mysterieuze wijze onthult het zijn oorspronkelijke principe en uiteindelijke doel (cf. 1 Petr. 1, 20). Dit mysterie wordt door St Anastasius van Alexandrië beschreven: “Als het ‘Logos’ is hij niet ingesloten in iets, maar bevat tegelijk alles: hij bevindt zich in alles, en toch ook weer buiten alles … de eerstgeborene van de gehele wereld in al zijn aspecten”. De gehele wereld is een proloog tot het Johannesevangelie. En als de kerk de bredere kosmische dimensies van Gods Woord niet erkent en datgene waar het over gaat verengt tot enkel geestelijke zaken, dan doet de kerk haar missie geweld aan om God te smeken – altijd en overal, “in alle plaatsen onder Zijn gezag” - de gehele vervuilde kosmos te transformeren. Geen wonder dat orthodoxe christenen op paaszondag, als de viering van Pasen zijn climax bereikt, zingen:“Nu staat alles in het goddelijk licht: hemel en aarde, en alles wat daaronder ligt. Dus laat de hele schepping juichen”.

Alle oprechte zuivere ecologie is daarom  ten diepste en onlosmakelijk verbonden met de theologie:“Zelfs een steen”, zo schrijft Basilius de Grote, “draagt het stempel van Gods Woord. Dit slaat op mieren, bijen en muggen, de kleinste dieren. Want Hij spreidde het uitspansel en legde de diepe oceanen; en Hij schiep het kleine kokertje van de bijenangel”.

Het realiseren van onze nietigheid in Gods weidse en prachtige schepping onderstreept slechts onze centrale rol in Gods plan om de wereld te redden.

3. Het Woord Gods aanraken en delen – de gemeenschap der heiligen en de sacramenten van het leven

Het Woord van God “beweegt zich onstuitbaar buiten Zichzelf in extase” (Dionysius de Areopagiet), gepassioneerd zoekend om “onder ons te wonen”(Joh. 1, 14) zodat de wereld overvloedig kan leven (Joh. 10, 10). Gods bewogen genade wordt uitgestort en gedeeld “teneinde de voorwerpen van zijn liefdadigheid te vermenigvuldigen” (Gregorius de Theoloog). God neemt al het menselijke aan en wordt in ieder opzicht “op de proef gesteld zoals wij, afgezien dan van de zonde” (Heb. 4, 15) om ons alles te bieden wat van God is en ons tot Gods kinderen te maken door zijn genade. “Hoewel Hij rijk is, wordt Hij arm zodat wij rijk kunnen worden”, schrijft de grote apostel Paulus (2 Kor. 8, 9) aan wie dit jaar zo treffend is gewijd. Dit is het Woord van God; dank en eer zijn wij Hem verschuldigd. Het Woord van God krijgt zijn ware belichaming in de schepping, bovenal in het sacrament van de heilige Eucharistie. Het is in dat sacrament dat het Woord vlees wordt en ons toestaat niet alleen Hem te zien of te horen maar Hem aan te raken met onze handen, zoals St. Johannes verklaart (1 Joh. 1, 1) en Hem deel te laten worden van ons eigen lichaam en bloed (Griekse tekst) in de woorden van de Heilige Johannes Chrysostomus. In de heilige Eucharistie is het woord ‘horen’ tegelijkertijd ‘zien’ en ‘delen’ (Grieks). Het is niet toevallig dat in de vroege eucharistische documenten, zoals het boek Openbaring en de Didache, de Eucharistie geassocieerd werd met profeteren, en de bisschoppen die voorgingen werden beschouwd als opvolgers van de profeten (bv. Martyrion Polycarpi). De Eucharistie werd al beschreven door St. Paulus (1 Kor. 11) als proclamatie van de dood van Christus en zijn wederkomst. Daar het doel van de h. Schrift in essentie de proclamatie van het koninkrijk en de aankondiging van eschatologische realiteiten is, is de eucharistie een voorproefje van het koninkrijk, en in deze zin eigenlijk de proclamatie van het Woord bij uitstek. In de eucharistie worden woord en sacrament één. Het Woord houdt op te bestaan uit “woorden” en wordt een persoon, die in zich alle menselijke wezens en de hele schepping belichaamt.

In het kerkelijke leven wordt het onpeilbare zich wegschenken en vrijgevig delen van de goddelijke Logos weerspiegeld in de levens van de heiligen als tastbare ervaring en menselijke expressie van Gods Woord in onze gemeenschap. Op deze manier wordt het Woord van God het Lichaam van Christus, tegelijkertijd gekruisigd en verheerlijkt. Dientengevolge heeft de heilige een organische relatie met hemel en aarde, met God en de hele schepping. In zijn ascetisch gevecht, verzoent de heilige het Woord en de wereld. Door boete en zuivering wordt de heilige – zoals Abba Isaak de Syriër benadrukt – vervuld van mededogen met alle schepselen, hetgeen uiterste nederigheid en perfectie betekent.

Dit is de reden waarom de heilige bemint met een warmte en openheid die onvoorwaardelijk en onweerstaanbaar zijn. In de heiligen leren wij Gods Woord kennen, omdat – zoals St Gregorius Palamas stelt – “God en zijn heiligen dezelfde glorie en pracht delen”. In de aangename aanwezigheid van een heilige leren we hoe theologie en actie samenvallen. In de barmhartige liefde van een heilige ervaren we God als onze Vader en Gods genade als onveranderlijk blijvend (Ps. 135, LXX). De heilige brandt van Gods liefde. Hierom deelt de heilige genade met ons en kan hij de geringste manipulatie of uitbuiting in de maatschappij of de natuur niet accepteren.

De heilige doet gewoon wat “gepast en juist” is (de Goddelijke Liturgie van Johannes Chrysostomus) waarbij hij de menselijkheid verheerlijkt en de schepping eert. “Zijn woorden bergen in zich de kracht van het handelen en zijn zwijgen heeft de kracht van het spreken” (St Ignatius van Antiochië).

Binnen de gemeenschap van de heiligen wordt ieder van ons opgeroepen om “als vuur te worden” (de Uitspraken van de Woestijnvaders) om de wereld te raken met de mystieke kracht van Gods Woord, zodat de wereld – als het uitgebreide Lichaam van Christus – zou kunnen zeggen: “Iemand raakte mij aan”(Cf. Mt. 9, 20). Het kwaad wordt slechts uitgeroeid door heiligheid, niet door ruwheid. En heiligheid brengt een zaadje in de gemeenschap binnen dat heelt en hervormt. Doordrenkt met het leven der sacramenten en de zuiverheid van het gebed, zijn wij in staat het binnenste mysterie van Gods Woord binnen te gaan. Het is als de tektonische platen in de aardkorst: de diepste lagen hoeven maar een paar millimeter te verschuiven om aan het aardoppervlak ruïneuze bevingen te veroorzaken. Toch moeten we om deze spirituele revolutie te laten plaatsvinden een radicale metanoia, - een herijking van houdingen, gewoontes en praktijken – ervaren omdat we Gods Woord, Gods gaven en Gods schepping hebben misbruikt.

Zo’n herijking is natuurlijk onmogelijk zonder Gods genade; we bereiken deze niet door gewoon maar beter ons best te doen of onze menselijke wilskracht in te zetten. “Voor stervelingen is het onmogelijk; maar voor Gods is alles mogelijk”. (Mt. 19, 26) Geestelijke verandering komt tot stand als onze lichamen en zielen geënt worden op het Woord Gods, als onze cellen de levenskracht gevende bloedstroom van de sacramenten bevatten, als we openstaan voor het delen van alles met alle mensen. Zoals St. Johannes Chrysostomus ons voorhoudt, “het sacrament van onze naaste kan niet geïsoleerd worden van het sacrament van het altaar”. Het is jammer dat we de roeping en plicht om te delen hebben verwaarloosd. Sociaal onrecht en ongelijkheid, de armoede in onze hele wereld, en oorlog, de vervuiling van ons milieu of het weigeren om te delen, zijn allemaal het resultaat van ons onvermogen of onze weigering om te delen. Als we beweren dat we hechten aan het sacrament van het altaar, dan kunnen we niet vergeten of voorbijgaan aan het sacrament van onze naaste – een fundamentele voorwaarde voor het realiseren van Gods Woord in de wereld, binnen het leven en de missie van de Kerk.

Besluit

Geliefde Broeders in Christus, we hebben hierboven de patristische leer van de spirituele zintuigen verkend, waarbij we de kracht van het horen en spreken van Gods Woord in de Schrift duidelijk voor ogen kregen en Gods Woord leerden zien in iconen en de natuur zowel als in het aanraken en delen van Gods Woord in heiligen en sacramenten. Toch moeten we, teneinde trouw te blijven aan het leven en de missie van de kerk, persoonlijk veranderd worden door dit Woord. De kerk moet lijken op de moeder die zowel zelf gevoed wordt als voedt door het eten dat zij tot zich neemt. Iets wat niet iedereen voedt kan ook ons niet in leven houden. Als de wereld de vreugde van Christus’ Opstanding niet deelt is dit een aanklacht tegen onze eigen integriteit en betrokkenheid bij het Woord van God. Voorafgaand aan de heilige Eucharistieviering, bidden orthodoxe christenen dat dit Woord “gebroken en gegeten, uitgedeeld en gedeeld” zal worden in de communie. En “we weten dat we van de dood het  leven binnengaan als we onze broeders” en zusters liefhebben (1 Joh. 3, 14). De uitdaging die ons wacht is dat we Gods Woord zien ondanks alle kwaad, en de gedaanteverandering van de wereld in al zijn aspecten tot de kleinste toe, in het licht van de wederopstanding. De overwinning is al aanwezig in het binnenste van de kerk telkens als we de genade ervaren van verzoening en gemeenzaamheid. Terwijl we proberen – in onszelf en in de wereld – de kracht van het kruis te herkennen, beginnen we te doorzien hoe iedere rechtvaardige daad, ieder sprankje schoonheid, ieder waar woord geleidelijk de korst van het kwaad aantast. Als steun achter onze zwakke pogingen hebben we echter de zekerheid van de Geest, die “ons in onze zwakheid te hulp komt” (Rom. 8, 26) en naast ons staat als pleitbezorger en “trooster” (Joh. 14, 26), die alles doortrekt en ons “hervormt” – zoals St Simeon de Nieuwe Theoloog zegt - , “tot we alles zijn wat het Woord Gods stelt met betrekking tot het hemels koninkrijk: parel, mosterdzaadje, gist, water, vuur, brood, leven en mystiek huwelijksvertrek”. Dat is de kracht en genade van de heilige Geest die we aanroepen terwijl we onze toespraak beëindigen, waarbij we naar Uwe Heiligheid onze dankbaarheid uitspreken en u allen onze zegen geven:

Hemelse Vader, Trooster, Geest van Waarheid, overal aanwezig en alles vervullend; schatkist van goedheid en levensgever, kom en verblijf in ons. Zuiver ons van alle smetten en red onze zielen. Want U bent goed en hebt de mensheid lief. Amen!

Bartholomeus I

Dit is de tekst van de toespraak van de oecumenisch patriarch Bartholomeus I op de Gewone Algemene Bisschoppensynode te Rome, 18 oktober 2008.

 

 



Op dit moment zijn er nog geen bijdragen voor dit thema.

Terug naar "Het Woord van God in het leven en de zending van de kerk" | Naar boven

Disclaimer
EnglishDeutschFrancaisEspanol