De uitholling van geloofsgemeenschappen in de katholieke kerk  
Home > Thema's > Inculturatie > De uitholling van geloofsgemeenschappen in de k...

Onderstaand manifest is met een begeleidend schrijven op 17 april 2013 verstuurd aan ieder van de zetelbisschoppen, de bisschopsconferentie, de nuntius en daags daarna aan alle parochies en geloofsgemeenschappen in Nederland

De uitholling van geloofsgemeenschappen in de katholieke kerk

Het zal niemand ontgaan dat er in de Nederlandse kerkprovincie van de katholieke kerk grote veranderingen gaande zijn. De bisschoppen en een aantal priesters varen daarbij een andere koers dan vele gelovigen en geloofsgemeenschappen. Deze koers leidt tot groeiende onrust. Die onrust heeft ons ertoe gebracht onze mening hieromtrent tot uitdrukking te brengen, in het besef van onze verantwoordelijkheid, zoals nadrukkelijk gesteld door de Codex Juris Canonici (1983) in canon 212 § .

Wat is het probleem?  

In de tweede helft van de vorige eeuw zijn de gelovigen ook in geloofszaken mondig(er) geworden. Zij hebben actief bijgedragen aan de vorming van een aanzienlijk aantal bloeiende, sprankelende, volwassen geloofsgemeenschappen waarin op eigentijdse en aan de plaatselijke omstandigheden aangepaste wijze door leken wordt bijgedragen aan geloofsleven en liturgie in open communicatie met de lokale ambtsdragers: actieve, bewuste participatie is in de plaats gekomen van passief meelopen. Dit wordt als een groot goed ervaren. Bovendien vormen zich door groeiende saamhorigheid hechte geloofsgemeenschappen die een ‘thuis’ bieden aan de betrokken gelovigen: dit heeft grote existentiële waarde.

Het probleem is nu dat bisschoppen, ter oplossing van de gevolgen van het priestertekort, hebben gekozen voor een grootschalig fusiemodel, waarbij een aantal geloofsgemeenschappen wordt samengevoegd tot één parochie met één bestuur. Tegelijk wordt een uniformering van de liturgie opgelegd, waardoor een einde gemaakt wordt aan de pluriforme eigenheid en teruggekeerd wordt naar vormen waarin de gelovigen weer in een passieve rol gedrongen worden. Daarbij moet een aantal opmerkingen worden gemaakt.

Het theologisch en pastoraal-psychologisch belang van lokale geloofsgemeenschappen  

Het specifieke karakter van lokale geloofsgemeenschappen is theologisch van groot belang. Zij ontlenen hun religieuze kracht aan de ervaren onderlinge verbondenheid (religie betekent immers etymologisch verbinding): er is sprake van een unieke specifiek-menselijke relatie die geïnspireerd en gedragen wordt door het leven en de boodschap (evangelie) van Jezus van Nazareth. Die relatie vertrekt uit een diepgaand wederzijds respect en vormt de opmaat tot een relatie – van persoon en gemeenschap – met de Eeuwige: er is sprake van wezenlijke liefde. Vaticanum II heeft in de dogmatische constitutie Lumen gentium een vernieuwende visie gepresenteerd ten aanzien van de kerk en daarbij benadrukt dat een lokale geloofsgemeenschap als gemeenschap van gelovigen ‘kerk’ is in de theologische zin van het woord. Jezus Christus is in haar midden aanwezig en laat zich in en door die gemeenschap kennen aan de wereld waarin zij zich bevindt: het is een ecclesia amoris, een kerk waarvan liefde de basis vormt, waar communio tot leven komt en tot werkelijkheid wordt. De bisschoppen stellen terecht dat de eucharistie hoogtepunt en bron van ons geloof is. Dat laat echter onverlet dat de ervaring van de gelovigen deel uit te maken van een gelovige gemeenschap – communio in de ware betekenis van het woord – voor hen zeer belangrijk is. Ook de waardering voor het werk van de lokale niet-gewijde medewerkers in de kerk is in de geloofsgemeenschappen veel groter dan bij veel bisschoppen: de kerk mag niet verengd worden tot een priesterkerk. De uitspraak van Paus Franciscus: “Wij moeten overgaan van een kerk die regels stelt naar een kerk die het geloof bevordert en overdraagt”, biedt wat dat betreft een hoopvol perspectief.

Wanneer een lokale geloofsgemeenschap sprankelt en bloeit en kenmerken van volwassen vitaliteit toont, zijn er dus zwaarwegende redenen voor een bisschop en zijn medewerkers haar daarin te bevestigen. Organisatorische samenwerking/samenvoeging van geloofsgemeenschappen kan om logistieke redenen nodig zijn, maar hun afzonderlijke specifieke identiteit mag daarbij niet in het gedrang komen. Echter de door veel bisschoppen uitgevaardigde maatregelen en richtlijnen ontnemen aan alle betrokken geloofsgemeenschappen hun eigenheid en persoonlijkheid, reduceren hen tot een mindere vorm van kerk-zijn; dat is theologisch en pastoraal-psychologisch hoogst problematisch en daarmee onverantwoord.

Het psychosociale belang van lokale geloofsgemeenschappen  

Een levende geloofsgemeenschap wordt gekenmerkt door verbondenheid van de leden ervan met elkaar in geloof en door de ruimte om dat geloof te ontwikkelen: zij heeft kenmerken van eigenheid, van een ‘zelf’, van een persoon (personaliteit is psychisch én sociaal). Het specifieke karakter van bestaande lokale geloofsgemeenschappen is daarom ook psychosociaal van groot belang; het is dus belangrijk om de karakteristieke kenmerken van zulke geloofsgemeenschappen steeds voor ogen te houden. Die karakteristiek wordt kernachtig uitgedrukt in een tekst van de Askea-parochie in Carlow (Ierland):

Als onze geloofsgemeenschap niet een plaats is waar mijn tranen worden begrepen,
waar moet ik dan naartoe om te huilen?
Als onze geloofsgemeenschap niet een plaats is waar mijn geest vleugels krijgt,
waar moet ik dan heen om te vliegen?
Als onze geloofsgemeenschap niet een ruimte biedt
waar mijn vragen worden gehoord,
waar moet ik dan zoeken?
Als onze geloofsgemeenschap niet een ruimte biedt
waar naar mijn gevoelens kan worden geluisterd,
waar moet ik dan naartoe om te spreken?
Als onze geloofsgemeenschap niet een gemeenschap is waar u mij begrijpt zoals ik ben,
waar kan ik dan naartoe om te zijn?
Als onze geloofsgemeenschap niet een plaats is waar ik kan proberen en leren en groeien,
waar kan ik dan gewoon mijzelf zijn?

Dit geeft duidelijk aan dat een geloofsgemeenschap de plaats is waar mensen terecht kunnen met hun verdriet en hun vreugde en met hun geloofsvragen, dat dit de plaats is waar mensen de weg vinden op hun zoektocht naar de zin van hun leven. Verder spelen geloofsgemeenschappen een maatschappelijke rol in de diaconie en de zorg, zeker waar ze in oecumenisch verband gezamenlijk optreden. Veel vrijwilligers in zorg, voedselbanken en caritas komen voort uit geloofsgemeenschappen.

Te vrezen valt dat door het desavoueren van lokale geloofsgemeenschappen de rol van de kerk op die terreinen verder zal afnemen. De rol van religieuze instellingen is in het publieke domein toch al marginaal geworden in onze geseculariseerde samenleving.

Het organisatorische belang van lokale geloofsgemeenschappen  

Het specifieke karakter van lokale geloofsgemeenschappen is ook organisatorisch van groot belang. De sociale wereld en dus ook de sociale geloofswereld is een geleed geheel van enkele niveaus.

Het sociaal macroniveau is het niveau van de samenleving (hier de kerkprovincie) als geheel. Dit niveau heeft het karakter van systeemwereld: bureaucratische en financiële structuren en culturen domineren. De relaties zijn onpersoonlijk, zakelijk; mensen gebruiken elkaar om hun eigen doelen na te streven. De waarden van de systeemwereld zijn objectiviteit, efficiëntie, nut, meetbaarheid. Er wordt strategisch-instrumenteel gehandeld op basis van doel-middel rationaliteit.

Het sociaal mesoniveau is het niveau van grote groepen en sociale structuren (hier bisdom en grote parochie). Dit is een overgangsgebied, een mengvorm van systeemwereld en leefwereld.

Het sociaal microniveau is het niveau van kleine groepen en sociale netwerken (hier lokale geloofsgemeenschappen). Het persoonlijk niveau is het niveau van persoonlijke relaties en persoonlijke identiteit. De beide laatstgenoemde niveaus hebben het karakter van leefwereld: er wordt communicatief gehandeld, gericht op onderlinge verstandhouding, overeenstemming en zingeving. Hierin geeft de persoon betekenis aan het eigen handelen en aan de eigen identiteit.

Als de waarden van de systeemwereld, via het mesoniveau, binnendringen in de leefwereld spreekt men van kolonisering. Dit is het geval bij de huidige fusies van lokale geloofsgemeenschappen tot grootschalige parochies. De aandacht binnen bestuur, beheer en beleid in bisdom en parochies verschuift van communicatief naar strategisch-instrumenteel handelen (centralisatie, regels, management, efficiëntie en financiën). Langdurige ervaring met grootschalige fusies in bedrijfsleven en zorg (mislukkingspercentage 70 à 80 %) heeft duidelijk gemaakt dat deze geen oplossing zijn voor personele, financiële en efficiëntieproblemen, zeker niet wanneer er sprake is van onderlinge cultuurverschillen. De oplossing moet veeleer gezocht worden in kleinschalige gemeenschappen met veel medezeggenschap, aandacht voor het kleine en verschillende, voor de leefwereld (behoeften, wensen, interesses), voor mondigheid en samenleven. Zelfs de financiële problemen van de kerk worden dan verlicht door de grotere bereidheid van de leden van de lokale geloofsgemeenschappen aan de oplossing daarvan bij te dragen dankzij hun besef van verantwoordelijkheid voor de instandhouding van hun ‘eigen’ gemeenschap, terwijl bij ongewijzigd bisschoppelijk beleid een tegengestelde reactie te verwachten valt.

Deze aspecten van de kleinschalige geloofsgemeenschappen worden thans onder druk gezet door het bisschoppelijk beleid en dit zal op den duur leiden tot de uitholling en vernietiging van deze gemeenschappen.

Conclusies en aanbevelingen  

Het bisschoppelijk beleid krijgt op een autoritaire wijze vorm, zonder adequaat overleg met het gelovige volk en met voorbijgaan aan de normen van openheid, verantwoording en democratie. Het beleid toont geen besef van, laat staan respect voor de maatschappelijke en religieuze mondigheid van het Volk Gods. Er is bovendien nauwelijks oog voor de menselijke maat. De bisschoppelijke leidinggevenden lijken ook niet te beseffen, dat die mondigheid het resultaat is van een tot volwassenheid gekomen identiteit. Dit is eigenheid van persoon en gemeenschap. Deze eigenheid wordt manifest in onderlinge verschillen en vraagt om pluriform beleid. Het beleid van het episcopaat miskent de onschatbare waarde hiervan voor kerk en samenleving. Het streven naar eenheid krijgt in dit beleid gestalte in een streven naar uniformiteit, die het bestaan van vele geloofsgemeenschappen in ernstige mate bedreigt en op den duur vernietigt. Dat wordt door veel lokale geloofsgemeenschappen thans ervaren. Om hun te laten weten dat zij niet alleen staan en om hen te bemoedigen hebben wij deze notitie geschreven en brengen wij hun deze ter kennis. Wij doen dat ook om te komen tot een krachtenbundeling die nodig is om de bisschoppen tot een gesprek te brengen waartoe zij door taak en herderlijke plicht geroepen zijn.

Gegeven de huidige situatie van de kerk en het toekomstperspectief voor de kerk is een goed georganiseerde samenwerking op basisniveau noodzakelijk. Voor het behoud van de eigenheid, zelfstandigheid en levensvatbaarheid van de lokale geloofsgemeenschappen en voor de pastorale zorg hiervoor zijn een doordachte organisatie en werkwijze noodzakelijk. De organisatie vergt kleinschaligheid. Wat de werkwijze betreft is het aanbevelingswaard dat men werkt volgens het Rijnland-model (zie J. Peters , M. Weggeman 20105 , Het Rijnland boekje. Principes en inzichten van het Rijnland-model. Business Contact, Amsterdam). Dit model kan opgevat worden als hedendaagse uitwerking van het subsidiariteitsbeginsel uit de katholieke sociale leer. Deze werkwijze biedt meer kansen op het behoud van lokale geloofsgemeenschappen en daarmee van de kerk dan het huidige beleid.

Degenen die onze bezorgdheid met ons delen en ons initiatief willen steunen nodigen wij uit dit kenbaar te maken via onze website:

http://www.professorenmanifest.nl/index.php/steunbetuigingsformulier

of per e-mail naar: coordinator@professorenmanifest.nl

Dr. J.G. van Baal, prof. dr. C.G.M.I. Baeten, prof. dr. T.J.M. van Els, prof. dr. A.J.A. Felling, prof. dr. V. Feron, prof. dr. A.Th.G. van Gennep, prof. dr. L.M.G. van Golde, prof. dr. H.J.Th. Goos, drs. A.J. de Groot, prof. dr. W.H.L. Hoefnagels, prof. dr. W.P.M. Hoekstra, prof. dr. P.G. van Hooijdonk, prof. mr. E.H. Hondius, prof. dr. J.J.M. Hooymans, prof. dr. J.A.J.P. Janssen, prof. mr. E.C.M. Jurgens, prof. dr. E.E. Keunen, prof. dr. M.F. Kramer, prof. dr. Th.C. de Kruijf, prof. dr. P.J.A. Nissen, prof. mr. N.C. van Oostrom‐Streep, prof. dr. J.W.M. Osse, prof. dr. P.G.J.M. Raedts, prof. dr. J.J. Roord, prof. dr. N. Schweitzer, prof. dr. J.B.J. Soons, dr. Th.H.J. Stoelinga, prof. dr. J.W. Stoop, dr. J.G.F. Veldhuis, prof. dr. J.A.M. Winnubst, prof. dr. W.H.G. Wolters, prof. dr. H.A.B. Wösten, prof. dr. B.J.M. Zegers.



Op dit moment zijn er nog geen bijdragen voor dit thema.

Terug naar "Inculturatie" | Naar boven

Disclaimer
EnglishDeutschFrancaisEspanol