Basisgemeenschappen in Europa  
Home > Thema's > Inculturatie > Basisgemeenschappen in Europa

Basisgemeenschappen in Europa

Ik ben heel blij dat ik vandaag hier mag zijn, en voel me zeer vereerd dat ik deze vergadering mag toespreken over een zaak die zo belangrijk is voor de toekomst van onze kerk.

Na de briljante inleiding door Rik Torfs, die sprak over de kerkrechtelijke aspecten van gemeenschapsvorming, ga ik kijken naar de concrete realiteit van kerkelijke gemeenschappen, en meer in het bijzonder naar de Europese basisgemeenschappen rond kerkvernieuwing.

Ik wil dit gaan doen via het onderscheiden van twee dimensies:

  • De vraag wat voor gemeenschappen mogelijk zijn.
  • Nagaan wat voor gemeenschappen we gevormd hebben

1. Wat voor gemeenschappen zijn mogelijk?

Katholieke identiteit – een veelvormige identiteit

Gemeenschappen zijn groepen personen die een gezamenlijke identiteit hebben. Deze identiteit wordt gevormd door de ontmoeting van alle individuen, die min of meer van elkaar verschillen. Maar in tenminste één bepaald aspect of dimensie van hun persoonlijkheid komen ze overeen en vormen wat wij een collectieve identiteit noemen. Ze kunnen verschillen wat betreft opleiding of beroep, qua geslacht, leeftijd, taal en nationaliteit, civiele status of gezinsachtergrond (een-ouder-gezinnen, enig kind, grote drie-generatie-families, wisselende gezinssamenstelling), wonen in dezelfde buurt of in verschillende delen van stad of land, en dergelijke. Maar hier, in ons geval, delen ze één zaak: godsdienst, met name katholiek-zijn.

Psychologische en politieke dimensie van een gemeenschap

Gemeenschappen vormen zich aan de hand van twee assen: de psychologische en de politieke.

In theorie kun je een gemeenschap of groep personen hebben die samen komen rond een gevoel van gezamenlijk welbehagen, veiligheid en vriendelijkheid. Zo ben je lid van een bierclub waar mensen samenkomen om te drinken en over hun buren te praten. De bestaansreden van zo’n groep is dat leden zich daar prettig voelen: ze ervaren dat ze ergens bij horen, deel zijn van een groter geheel. De bepalende karakteristiek van zo’n groep is de psychologische.

Daarnaast kunnen er groepen bestaan waar die psychologische dimensie praktisch ontbreekt. We denken aan een politieke groepering die verkiezingen wil winnen en macht krijgen, en geen ruimte heeft om te zorgen voor de individuele leden. De bepalende dimensie is hier het ‘project’ waar de groep voor gevormd werd, het politieke streven.

Maar de meeste gemeenschappen kennen beide dimensies, zij het met gevarieerde accenten.

De gezonde kerkelijke gemeenschap waar we naar verlangen zou idealiter beide dimensies accent geven. Progressieve katholieken komen samen omdat ze graag politieke actie willen voeren: ze willen het Rijk van God vestigen, ze willen de wereld veranderen en sociale gerechtigheid tot stand brengen, ze willen de kerkelijke structuren veranderen. Dat is de politieke dimensie van hun gemeenschap. Die is met name sterk in de beginfase, als mensen samenkomen omdat ze onderdrukking ervaren, onrecht, marginalisering: ze willen de krachten bundelen om verandering te bewerkstelligen.

Mettertijd zullen mensen zich realiseren dat verandering niet gemakkelijk is in te voeren, en zeker niet in de samenleving als geheel en wat betreft oude institutionele vormen die in de loop van eeuwen gegroeid zijn. Als zo’n groep of gemeenschap dan niet de psychologische dimensie kan ontwikkelen stokt ze en groeit niet meer. Nieuwe jonge leden zijn moeilijk te werven. Gemeenschappen moeten hun leden ruimte bieden waarin ze als individu kunnen groeien, zich kunnen ontwikkelen als persoon en meehelpen de collectieve identiteit van de gemeenschap vorm te geven – en dat kun je niet in steen beitelen, dan zit er geen beweging meer in.

De kerk van vóór Vaticanum II

In de kerk van vóór het Tweede Vaticaans Concilie kenden we een gemeenschap met een piramidestructuur. De communiebank brak het kerkgebouw in twee duidelijk gescheiden ruimtes: de ene waar seksualiteit taboe was, en de andere waar seksualiteit bestond maar streng was geregeld en ingeperkt.

Aan de ene kant kwamen de onreinen samen:

  • vrouwen die gedurende een belangrijk deel van hun leven menstrueerden, en daardoor symbool stonden voor seksualiteit;
  • mannen die seksuele contacten met vrouwen niet uitsloten, wat inhoudt dat ze trouwen niet uitsloten: want voor seksualiteitsbeleving bestond alleen maar wettige ruimte in een huwelijk;
  • kinderen.

Aan de andere kant van de communiebank was de ruimte gereserveerd voor hen die door de genade van een Heilige Wijding konden optreden in persona Christi en in de kerk het gezag uitoefenden: de hiërarchie – wat betekent: de macht over het heilige. Dat waren allemaal mannen, en mannen die van seks hadden afgezien. Zij bedienden de sacramenten en vormden als zodanig de Kerk. Ze hadden de sleutels van de hemel in handen. Ze stelden vast wat geloofsleer en traditie inhielden, en zagen er op toe dat die tot gelding kwamen en werden geëerbiedigd. Zonder hun bemiddeling was er geen toegang tot het heilige en tot God. En God was ver weg, of eigenlijk opgesloten in een kooitje dat tabernakel werd genoemd en waarvan priesters de sleutel hadden.

Het was een gemeenschap gebaseerd op de begrippen offer, straf en afzondering. De Machtsstructuren werden gedefinieerd met begrippen als ongelijkheid, onderwerping en uitsluiting. De prijs die mannen betaalden – vrouwen waren per definitie buitengesloten – voor opname in het regime van macht over het heilige bestond in het afzien van alles waar vrouwen voor staan.

De kerk na Vaticanum II

Het Tweede Vaticaans Concilie accepteerde en legitimeerde een ander beeld van gemeenschap: de gemeenschap zoals die in de tijd van de apostelen zou hebben bestaan: “Als er twee of drie in mijn naam samenkomen ben ik in uw midden” en “Doe dit ter herinnering aan mij”. Hiërarchie, heilige macht, werd overbodig, omdat er niet langer een onderscheid bestond tussen het heilige en het profane, want “God werd mens een woonde in ons midden”, en allen namen actief deel en waren er verantwoordelijk voor “dat kerk gebeurde”. De fundamentele begrippen waren delen en omvatten. Het besturen gebeurde democratisch, steunend op de principes van gelijkheid, vrijheid en solidariteit. Een nieuw en ander seksualiteitsbegrip ontstond en ontwikkelde zich.

2. Wat zijn de gemeenschappen die we op basis van deze principes hebben ontwikkeld?

Ik zal het voornamelijk hebben over de in Europa, en vooral in West Europa tot ontwikkeling gekomen gemeenschappen.

Een korte blik op de Europese geschiedenis leert ons dat religie altijd betrokken was bij machtsstreven. Ik weet niet heel zeker in hoeverre Jezus wilde dat het zo ging, maar de realiteit is dat degenen die zich opwerpen als de bewakers van zijn erfenis zich nooit hebben afgevraagd of die erfenis anders kon worden beveiligd dan met geweld en dwang. Religie en politieke macht lijken elkaar nodig te hebben. Ik wil drie gebeurtenissen naar voren halen die een bijzondere invloed hadden op het politieke landschap en op de strijd om wat ‘tijdelijke en geestelijke macht’ is gaan heten.

Om te beginnen het conflict tussen de keizer van het Heilige Roomse Rijk van de Germaanse Natie en de paus rond 1100, waarin geprobeerd werd de wereldlijke macht los te maken van het kerkelijk gezag. Dan de Lutherse Reformatie van rond 1500 die haar politiek hoogtepunt had in de Vrede van Westfalen en het Verdrag van Münster in 1648: daar startte het moderne idee van Europese buitenlandse politiek, uitgaande van de diplomatieke en politieke gelijkheid van alle naties, ongeacht hoe groot en machtig ze in feite waren. En tenslotte de reorganisatie van de wereldwijde geografie in de twintigste eeuw, door de twee wereldoorlogen en het proces van dekolonisering. We moeten ons herinneren dat het koloniseringproces door het pausdom was gesanctioneerd in 1493, toen de Spaanse paus Alexander VI de aardbol verdeelde tussen Spanje en Portugal.

Het katholicisme verspreidde zich vooral door het zwaard over de wereld. Maar het wonderlijke is dat dit geweld wel de bevrijdingsboodschap die Jezus preekte verduisterde, maar nooit helemaal kon doden. En de utopische en troostende kracht van het Goede Nieuws bleef overeind doordat het de onderdrukten overal ter wereld hielp te overleven – op allerlei manieren, niet zelden als een soort esoterisch weten van maatschappelijk uitgestotenen. Er lijkt waarheid te zitten in het idee dat God woont bij de Amawim, bij de armen en onderdrukten.

Het Goede Nieuws was dat de armen en onderdrukten maar één kans hebben om te overleven, namelijk door gemeenschap te vormen: door hun zwakheden samen te brengen in één kracht: groeien en vermenigvuldigen. Gemeenschapsleven staat dus centraal in de christelijke identiteit.

En telkens weer in de afgelopen tweeduizend jaar was het nodig dat de armen, de zwakken en de uitgestotenen opnieuw kleine delende gemeenschappen uitvonden en herschiepen, dat ze het Goede Nieuws ontdekten en levend hielden, tegen het geweld en de arrogantie in van hen die het volk van God overheersten.

En de kleine delende gemeenschappen zijn ontstaan op alle plekken waar onderdrukt en geleden wordt, waar mensen wel moeten samenkomen om te overleven.

Door de industriële revolutie en de maatschappelijke veranderingen die ermee gepaard gingen, leek het aristocratische bestuursmodel te gaan verdwijnen. In de Franse Revolutie werd de koning – de vorst bij de gratie Gods – onthoofd en werd het secularisme geboren.

De koning werd gewijd door een bisschop of door de paus, en ontving zijn gezag van God door bemiddeling van de Kerk. Hij belichaamde de politieke soevereiniteit over de gemeenschap. Toen zijn hoofd er af ging viel de soevereiniteit op het lichaam, op het lichaam van de natie, en politieke soevereiniteit ging zetelen in het volk als gemeenschap, als een natie.

Dit is niet moeilijk te begrijpen voor mensen die zich Paulus’ beeld herinneren over de kerk als het Lichaam van Christus.

Maar de Kerk als instituut bewaarde haar aristocratische en absolute monarchische structuur, gebaseerd op ‘Heilige Wijdingen’. De sfeer van het Ancien Regime bleef bewaard, maar ze verloor steeds meer politieke macht. Leken moesten zorg gaan dragen voor de seculiere belangen van de Kerk als gemeenschap binnen de bredere samenleving. De Sociale Leer van de Kerk ontstond. Deze Sociale Leer slaat niet alleen op sociale gerechtigheid, zoals men ons doorgaans voorhoudt, maar gaat over het politieke gezag van het Vaticaan over katholieke leken, en via hen over de samenleving als geheel.

In de negentiende en twintigste eeuw bereikte onderwijs steeds grotere delen van de samenleving. De toenemende verstedelijking bracht een langzame culturele revolutie met zich mee, ook binnen het katholicisme: wij zijn verantwoordelijk voor het leven tussen geboorte en dood, en het leven tussen geboorte en dood is waardevol, kostbaar, heilig. God is een geïncarneerde, immanente God die in ons midden woont, niet ergens zo ver weg dat we om God te bereiken de bemiddeling van speciale mensen nodig hebben. En God wil dat we tussen geboorte en dood een goed leven hebben. Maar daar moeten we zelf aan werken.

Er komen mensen naar voren, zoals Joseph Cardijn in België, die beseffen hoe belangrijk het is dienstbaar te zijn aan de nieuwe arbeidersklassen, en zij ontwikkelen nieuwe vormen van pastoraal. Dat stelt de leken in staat zelf een gemeenschapsleven uit te bouwen. Er wordt een methode ontwikkeld van zien-oordelen-handelen die de mensen een instrument in handen geeft om over hun handelen te beslissen, waarbij de Schrift een ethisch kader aanreikt voor besluitvorming. Bijbellezen, vroeger aan hen verboden, wordt belangrijk voor katholieken.

Seksualiteit

Een beslissende factor in het rijpingsproces van de katholieke leken was de zich wijzigende visie op seksualiteit. Hier zou ik willen wijzen op de zeer interessante studies van Martine Sevegrand, een Frans historica en lid van de Reseau du Parvis ( een overkoepeling van vernieuwingsbewegingen in Frankrijk). In haar proefschrift analyseert ze hoe in de late negentiende eeuw leken het gezag van priesters en bisschoppen over seksuele ethiek in twijfel begonnen te trekken.

De hele negentiende eeuw door was echtscheiding de grote zorg geweest van de Kerk in Frankrijk. De Franse Revolutie had echtscheiding gelegaliseerd, en hoewel de Restauratie dat weer inperkte bleef het onderwerp op de politieke agenda tot aan de oorlog tussen Frankrijk en Pruisen, in 1870, die samenviel met het Eerste Vaticaans Concilie.

Frankrijk verloor de oorlog, en de politieke elites van de Grande Nation bepaalden dat de oorzaak van deze nederlaag een demografische was: Franse vrouwen baarden niet genoeg soldaten. De krijgsmacht, de artsen en de hoge gezagsdragers in de Kerk, allen met dezelfde sociale achtergrond, gingen samen demografische groei propageren. Seks moest vruchtbaar zijn! En de Kerk moest er voor zorgen dat de kudde geen enkele vorm van contraceptie toepaste. In reactie op deze klerikale obsessie gingen onze steeds beter gevormde katholieke leken de echt katholieke methodologie toepassen die we bij Sint Paulus en Thomas van Aquino vinden: het geloof moet aansluiten bij de rede, wat we ‘natuurwet’ noemen.

Waarom zou God seksueel genot geschapen hebben en daar iets kwaads van gemaakt hebben? Zou seksueel genot niet iets kunnen zijn waar God mee instemde? En als je een zwangerschap kon voorkomen die zou leiden tot een kind waar je echt geen materiële ruimte voor had, waarom zou je dat dan niet doen? Een parochiaan schreef eens in een brief aan zijn biechtvader: “Eerwaarde, u slaapt alleen in uw bed, en dan kun je je natuurlijk gemakkelijk van seks onthouden, maar u kunt zich niet voorstellen hoe moeilijk het is dat te doen als je nacht na nacht je bed deelt met de mooie vrouw waar je heel veel van houdt.” Hoe kun je je verantwoordelijkheid als ouder combineren met huwelijksgemeenschap? Bij leken groeide de overtuiging dat de hiërarchie de competentie miste om over deze zaken te beslissen.

U weet allen wat de wereldwijde reactie was toen in 1968 Humanae Vitae uitkwam. In de loop van de tijd waren katholieke leken tot rijpheid gekomen, en in de kerk kwam een proces van secularisering op gang: een proces van scheiding van religie en hiërarchie, van Kerk en Ecclesia zoals een Colombiaanse vriend dat formuleert.

Vaticanum II bevestigde de visie dat de Kerk het Volk van God was. Vanaf dat moment ontstonden veel kleine gemeenschappen, en ze werden overal ter wereld zichtbaar, met name daar waar mensen onderdrukt werden: de militaire dictaturen in Latijns Amerika, de totalitaire regimes die tot 1989 in Oost- en Centraal Europa bestonden, en tot 1975 de fascistische regeringen in Spanje en Portugal.

Maar kleine basisgemeenschappen ontstonden ook in landen zonder politieke onderdrukking. In Duitsland en Italië hadden ze een relatie met het dekoloniseringproces dat Europa doormaakte. Tiers Mondialisme drukte het groeiende besef van globalisering uit: deze katholieken voelden zich verantwoordelijk voor sociale gerechtigheid en voor de lijdende armen in de ontwikkelingslanden die men de Derde Wereld ging noemen, met verwijzing naar de Tiers Etat van de Franse Revolutie.

Vaticanum II speelde een centrale en instrumentele rol bij het ontwikkelen van een leerstellig fundament onder de algemene culturele revolutie die plaats vond en die de katholieken niet zou ontzien. Nu de Mis niet langer een mysterieus en esoterisch gebeuren was, gevierd in een dode taal, opgedragen en beheerd door een gewijde priester die bepaalde of iemand al of niet mocht deelnemen, begonnen de leken de eigenaars te worden van hun katholieke geloof. Opvoeding werd een massaverschijnsel en was niet langer het privilege van een kleine minderheid. Velen gingen theologie studeren, en ze waren niet zelden bekwamer dan de geestelijkheid, met name toen priesterroepingen afnamen en heel wat nieuwe kandidaten van nogal middelmatig gehalte bleken.

Katholieken werden steeds meer eigenaar van hun geloof en hun geloofsgemeenschap.

De eerste crisis ontstond met Humanae Vitae. Luidkeels protest mobiliseerde de hele Kerk, en vooral in het noordelijk halfrond. Het ging om seksualiteit, en in rechtstermen: het recht op gewetensvrijheid binnen de Kerk. Een belangrijk aantal priesters gaf het ambt op, ontgoocheld doordat het Vaticaan vasthield aan het verplichte celibaat; mettertijd vormden ze organisaties van getrouwde katholieke priesters.

In 1975 werd in de Verenigde Staten de Women’s Ordination Conference geboren die streefde naar geslachtelijke gelijkheid in de Kerk. Ida Raming en Iris Müller hadden deze vraag al gesteld in 1963, tijdens het Tweede Vaticaans Concilie.

In 1978 werd Karol Woityla paus Johannes Paulus II. In 1980 suspendeerde hij Hans Küng: de vrijheid van denken en spreken waren in het geding, en het protest binnen de Kerk werd feller. In Duitsland ontstond Christenrechte in der Kirche en in Frankrijk Droits et Libertés dans les Églises: ze eisten dat ook binnen de Kerk de Mensenrechten zouden gelden.

Call to Action hield in de Verenigde Staten een geslaagde conferentie en presenteerde zich als een nationale organisatie. Initiative Kirche Von Unten werd opgericht: een netwerk van strijdlustige basisgroepen in Duitsland. In Spanje kwam het tot de oprichting van de Associacion de Teólogos Juan XXIII, en zij bracht alle theologen en leken samen die zich identificeerden met Vaticanum II.

In 1985 verscheen de Acht Mei Beweging op het toneel, waarschijnlijk binnen de Europese katholieke Kerk de krachtigste uiting van meningsverschillen met het Vaticaan.

Basisgemeenschappen die in verschillende delen van Europa waren ontstaan vestigden een netwerk en organiseerden werelddeelbrede conferenties.

Ik zou hier het verschil willen onderstrepen tussen de basisgemeenschappen en de groepen die ik ‘strijdlustig’ noem. Basisgemeenschappen waren groepen die een redelijk goed evenwicht hadden gevonden tussen de politieke en de psychologische dimensie. Ze wilden de Kerk veranderen door te beginnen bij zichzelf en hun leven als gemeenschap. Pastorale zorg was een belangrijk element in hun werkelijkheid.

Maar de ‘strijdlustige’ groepen kennen een heel sterke politieke dimensie doch de psychologische dimensie is vrij zwak. De persoonlijke groei van een individueel lid is daar geen belangrijke doelstelling.

De institutionele Kerk en de hedendaagse politiek

In diezelfde periode sloot Johannes Paulus II een bondgenootschap met Reagan om het Marxisme te bestrijden. Het Amerikaanse kapitalisme wilde het gevecht met het communistisch bewind winnen en haar sociaaleconomische vrije-wereld-model over de hele wereld spreiden, terwijl het Vaticaan de macht over het persoonlijk geweten wilde behouden en uitbreiden. De militaire regimes in Latijns Amerika waren een belangrijke stap in de Amerikaanse strategie die de voorwaarden wilde scheppen voor een neoliberaal corporatisme. Het Vaticaan koos de kant van de onderdrukkers terwijl het Volk van God, niet zelden gesteund door priesters en religieuzen, dus de basiskerk, het verzet organiseerde. De bevrijdingstheologie kwam op, iets wat het Vaticaan helemaal niet waardeerde en zoveel mogelijk onderdrukte. De basisgemeenschappen waren een soort revolutionaire cellen waar democratie werd ingeoefend.

1989

De val van de Berlijnse Muur bracht de overwinning van het Pensamiento Unico, het Uniforme Denken, en het einde van een bipolaire wereld. Politiek en economisch dogmatisme, economisch neoliberalisme en politiek neoconservatisme waren de enige gelegitimeerde ideologieën.

Voor de nationale elites in de diverse ontwikkelingslanden was de Kerk met haar achterhaalde feodale structuur steeds minder relevant als een instituut om macht te verkrijgen, vast te houden en uit te breiden. Ze gaven er nu de voorkeur aan hun zonen naar Harvard te sturen, waarna ze zich zouden moeten aanmelden als managers in een van de grote transnationale maatschappijen of de Wereldbank en dergelijke. Priester worden en carrière maken in de kerkelijke hiërarchie  was geen optie meer. Vandaag de dag is de institutionele kerk als middel om maatschappelijk hogerop te komen eerder interessant voor leden van de lagere klassen.

En ze is nog steeds interessant voor fundamentalisten, vanwege haar hiërarchische en totalitaire structuur en haar institutionele presentie bij politieke sleutelposten: bijvoorbeeld het circuit van de Verenigde Naties en ook diverse Europese instellingen. Onder het regime van Johannes Paulus II heeft het Vaticaan, meer en meer in handen van Opus Dei, internationale diplomatie als een van haar hoogste prioriteiten gekozen. Systematisch en met veel succes probeerde de Heilige Stoel aanwezig te zijn in alle relevante internationale lichamen.

Zo nam de institutionele Kerk in de negentiger jaren deel aan alle mensenrechtenconferenties van de Verenigde Naties, en ging een belangrijke politieke rol spelen bij het blokkeren van de bewegingen voor vrouwenrechten en seksueel-reproductieve rechten.

Terwijl de in 1993 in Wenen gehouden conferentie van de VN verklaarde dat vrouwenrechten mensenrechten waren, slaagde de paus er in abortus praktisch te verbannen uit Polen - een van de eerste Europese landen die abortus hadden gelegaliseerd - in ruil voor zijn steunbetuiging aan de invoering van het neoliberalisme en het verwoesten van het leven van grote groepen van de bevolking.

Op de VN conferentie over Bevolking en Ontwikkeling, in 1994, verzette het Vaticaan zich hardnekkig tegen een paradigmaverandering. Menselijke voortplanting moet een wettelijk kader krijgen in termen van mensenrechten en vrouwenrechten, en regeringen moeten niet de kans krijgen een bevolkingspolitiek te formuleren waarin individuele burgers simpelweg worden beschouwd als demografische factoren. Gelukkig overwon de internationale consensus deze problemen.

Tijdens de vierde VN conferentie over vrouwen, in 1995 in Peking, speelde het Vaticaan weer de rol van de grote dwarsligger: het sloot bondgenootschappen met extremistische islamrepublieken en werd in feite de woordvoerder voor alle fundamentalisten.

In ditzelfde jaar werd in Oostenrijk  Wir sind Kirche opgericht, als reactie op het schandaal over seksueel misbruik dat rond kardinaal Hans Hermann Groer was ontstaan. In slechts drie weken werden vijfhonderdduizend handtekening verzameld onder een oproep voor fundamentele structurele hervormingen in de katholieke Kerk:

1. De gelovigen moeten inspraak hebben bij bisschopsbenoemingen;
2. Vrouwen moeten precies zoals mannen toegang hebben tot alle kerkelijke ambten;
3. Celibaat moet een vrije keuze worden;
4. De Kerk moet een positieve houding ontwikkelen ten aanzien van seksualiteit en het persoonlijke
    geweten moet worden gerespecteerd;
5. De Kerk moet ophouden intimidatie te gebruiken als een manier om te besturen.

Drie maanden later werden er in Duitsland 1,8 miljoen handtekeningen verzameld. In andere landen werden soortgelijke initiatieven genomen, maar het in de Duitssprekende landen behaalde succes kon niet herhaald worden. Waarom niet? Persoonlijk zie ik de voornaamste reden liggen in de unieke sociaaleconomische macht en de institutionele aanwezigheid van de katholieke Kerk in die landen, met name in Duitsland.

Na de staat is de Kerk de grootste werkgever. Talloze mensen zijn economisch afhankelijk van de Kerk, en dat leidt tot een grote interesse voor structurele vragen rond de Kerk.

En het was de Duitse kerk die het hardst werkte aan het verkrijgen van de institutionele privileges die er nu zijn op het niveau van de Europese Unie.

In 1996 werd in Rome de internationale beweging Wij Zijn Kerk opgericht.

In datzelfde jaar organiseerden de Oostenrijkse katholieke feministes, samen met christenfeministes uit andere Europese landen, de eerste Europese Vrouwensynode, met als thema Vrouwen en Macht. Meer dan duizend vrouwen uit 48 landen, geïnteresseerd in religie en feminisme, waren een week in Gmunden bijeen. Tijdens die bijeenkomst ontstond Women Ordination Worldwide. Twee jaar later vond in Dublin de First Women’s Ordination Conference plaats, en in 2002 werden, op een boot in de Donau, de grensrivier tussen Oostenrijk en Duitsland, de eerste zeven vrouwen tot priester gewijd.

Ook hier moeten we ons realiseren dat de wijding van vrouwen een kwestie is die in bepaalde landen speelt, en elders niet: het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Zwitserland, Oostenrijk. De ‘Latijns-europese’ landen – Spanje, Italië, Frankrijk – lijken moeilijker te interesseren, en de Roman Catholic Women Priests, de organisatie die ontstond na de wijding op de Donau, kent uit deze landen maar een paar kandidaten voor de wijding.

Dat betekent niet dat de vraag naar gendergelijkheid daar minder belangrijk is, men gaat er gewoon anders mee om. Ik wil er hier op wijzen dat Dones en l’Esglesia , een beweging voor vrouwenrechten in de kerk uit Catalonië, al in 1997 een internationale conferentie over de wijding van vrouwen hield, een jaar na de Europese Vrouwensynode. Femmes et Hommes en Église, een Franse groep rond gendergelijkheid in de Kerk, opgericht in de vroege zeventiger jaren, organiseerde in 2007 ook een internationale conferentie over vrouwenwijding.

In 1998, in de nasleep van de beroering die de oprichting van Somos Iglesia in Spanje opriep, kwam het tot de vorming van Catolicas por el Derecho a Decidir de Espagna (Katholieken voor het Recht om te Beslissen). Deze groep heeft niet alleen gender-gelijkheid in de Kerk op haar programma staan, maar ook het recht van vrouwen om over voortplanting te beslissen.

CDD (Catholicas por el Derecho a Decidir) in Spanje is, naast de Duitse groep Frauenwürde (Vrouwenwaardigheid) de enige katholieke organisatie in Europa die de voortplantingsrechten van vrouwen als actiepunt heeft. Frauenwürde is een dochterorganisatie van Wir Sind Kirche en werd ook in 1998 opgericht in de context van het conflict tussen Duitsland en het Vaticaan over de wettelijk voorgeschreven adviesbureaus voor zwangerschapscrises. Deze bureaus gaven vrouwen die een abortus wensten een verklaring dat zij advies gevraagd hadden, een wettelijke voorwaarde voor een abortusingreep.  Het verschil tussen de twee organisaties is dat Frauenwürde dienstverlenend is aan vrouwen in nood en aan scholen seksuele opvoeding aanbiedt, terwijl CDD actief is op het terrein van de politiek.

Veel andere organisaties heb ik niet genoemd, en dat is onmogelijk, er zijn er zoveel. Ik moet zelfs excuus maken dat ik niet alle hier aanwezige groepen noem. Velen hebben op nationaal niveau netwerken gevormd, zoals Les Reseaux de Parvis in Frankrijk, Redes Christianas in Spanje of  Kirche von Unten in Duitsland. Wat hen verbindt is dat ze allen stellen dat ze steunen op de geest van Vaticaan II, geïnspireerd worden door het begrip sociale gerechtigheid, en dromen van een Kerk die de tekenen van de tijden kan verstaan.

Sommige groepen zijn heel klein, slechts een paar mensen, andere heel groot, als netwerk van allerlei groepen en individuen.

Zij geven een historisch moment in het katholicisme aan. En ook, zeg ik er bij, in het Europese katholicisme. Dit soort organisaties bestaat nauwelijks in de ontwikkelingslanden, waar de maatschappelijke verschillen zeer groot zijn en de meeste mensen worstelen om alleen maar te kunnen bestaan. En als je een Call to Action conferentie bijwoont in de Verenigde Staten, waar soortgelijke groepen eens per jaar samenkomen, besef je dat de deelnemers op enkelen na mensen zijn met een Europese achtergrond. Leden van de Latijns-Amerikaanse of Afro-amerikaanse gemeenschappen zie je er gewoon niet.

De toekomst

Hoe zie ik de toekomst van de kleine katholieke of christelijke gemeenschappen in Europa?

In onze Europese samenleving met haar massaproductie, massaconsumptie en cyberspace moeten we kleine gemeenschappen opbouwen waar mensen elkaar persoonlijk ontmoeten om de simpele dingen van het leven te delen, zoals samen voor een maaltijd rond een tafel zitten. De meesten van ons lijden geen honger. Brood is niet langer wat je nodig hebt om te overleven. Velen van ons strijden tegen overgewicht. Maar brood kan betekenen: iets dat we delen, daar de tijd voor nemend, samen rond de tafel.

De organisaties die elkaar treffen in het Europees Netwerk Kerk in Beweging richten zich allen sterk op de politieke dimensie. Ze staan achter het ideaal de wereld te veranderen zodat die beter en rechtvaardiger wordt. Sommigen richten zich ook op het veranderen van de institutionele Kerk. Maar hoezeer we de wereld, en zo mogelijk ook de institutionele kerk, willen veranderen, we moeten niet vergeten dat we ook moeten behoren tot een gemeenschap waarin we zorg voor elkaar kunnen ervaren en als individu uitgroeien.

Gemeenschappen groeien en ontwikkelen zich net zo als individuen. Ze ontstaan als antwoord op een speciale nood of uitdaging: onderdrukking, lijden, onrecht, geweld enzovoorts. Mensen met gelijke instelling komen samen en bundelen hun krachten om op die nood of uitdaging te reageren. Iedereen wil iets bijdragen, iets geven. Er zijn veel hulpbronnen, er is veel energie. Mettertijd en naarmate de zaken veel ingewikkelder blijken dan in het begin, gaat de groep haar eerste kleine crisis in. Dat is een gezonde ervaring, als ze leden van de groep de kans geven te groeien en rijper te worden. En de groep kan er sterker uitkomen. Men gaat structureren. Er worden regels geformuleerd rondom verhoudingen en besluitvorming. Individuele leden moeten die regels naleven. Dat is belangrijk, want het voorkomt conflicten. Maar het individu moet het recht houden om individu te zijn.

Alle goed functionerende relaties, van stel tot groep, zijn gebaseerd op drie elementen: Eros, een project, en het recht op een zo groot mogelijke persoonlijke autonomie. Eros drukt uit hoe belangrijk het is dat je houdt van de ander of anderen waarmee je samenleeft: hij of zij moet met je meeleven, en het samenzijn met die ander of anderen moet plezierig zijn. Een project houdt in dat je iets deelt dat jou en je partner(s) te boven gaat. Tenslotte moet je ook het recht en de kansen hebben je als individu te ontwikkelen, om anders te zijn, niet alleen maar een deeltje van het geheel.

In goede gemeenschappen doen mensen er toe. Hun persoonlijke behoeften en hun persoonlijke ontwikkeling tellen mee. Hiërarchieën, voor zover ze bestaan, hebben een platte structuur, en het leiderschap roteert zodat iedereen vaardigheden kan ontwikkelen en verantwoordelijkheid dragen. Iedereen leert van iedereen, en iedereen kan een ander iets leren.

In goede gemeenschappen gaat het niet om macht. Wie de grootste of invloedrijkste groep is doet niet ter zake. Van belang is dat iedereen er bij hoort en zich goed voelt en tot bloei komt. Ook continuïteit, het hebben van erfgenamen en opvolgers, speelt geen rol.

Het is prachtig dat er groepen zijn waarin democratische regels gelden. Mensen beslissen samen, en dan accepteert ieder dat. Maar het moet mogelijk zijn dat een individu zelfstandigheid houdt binnen de groep, en de groep moet het individu en haar of zijn rechten respecteren. Uiteindelijk staat niet de groep maar het individu voorop. Dat is geen individualisme, maar het is de erkenning van mensenrechten, en dat zijn altijd individuele rechten. Elke vorm van totalitarisme heeft altijd de belangen van de groep boven de belangen en rechten van het individu geplaatst. Voor het fascisme waren stam of ras het belangrijkst, voor het communisme was dat de partij. En binnen het katholicisme is dat de Kerk.

Ik zou willen afsluiten met een kleine anekdote die ik onlangs hoorde. Ze komt uit Columbia. De basisgemeenschappen daar werden systematisch bestreden door de bisschoppen die tot de meeste conservatieve ter wereld behoorden, en waren dus klein in aantal en soms zelfs clandestien, want ze konden vanwege hun keuze voor de armen als ‘terroristen’ worden beschouwd. Een vriendin was uitgenodigd om de paasdagen door te brengen bij een groepje zusters, leden van diverse congregaties. Het werd tijd voor de paasnachtviering en men richtte de ruimte in. Mijn vriendin dacht dat de priester nu wel snel zou arriveren, maar dat gebeurde niet. De groep van ongeveer dertig vrouwen vierde heel autonoom en rustig de Eucharistie, zoals ze zo vaak deden. Ze was zeer verbaasd toen ze uitgenodigd werd om mee te concelebreren in wat ze beleefde als ‘de kerk van de catacomben’: onzichtbaar, stil, maar vol leven en zelfbewust.

Zij staan niet vooraan in de publieke worsteling om structurele veranderingen in het kerkinstituut. Zij werken aan de verandering van de wereld, zodat die beter wordt om in te leven, en doen dat in de context van groot maatschappelijk onrecht. En zij komen steeds weer samen, zonder verlof te vragen of iemand te informeren. En ze dienen elkaar, waarbij iedereen desgevraagd de leiding neemt.

Ik dank u voor uw aandacht.

Elfriede Harth

Elfriede Harth is Colombiaanse en Duitse. Ze heeft politieke en sociale wetenschappen gestudeerd in Parijs. Ze was medeoprichter van We are Church in 1996. De afgelopen jaren was zij vertegenwoordigster in Europa van Catholics for Choice. Ze is lid van het Coördinatie Team van het Europese Netwerk Church on the move. Thans woont ze weer in Colombia en zet ze zich in voor de positie van vrouwen in Latijns Amerika en Spanje in het kader van Católicas por el Derecho a Decidir.

Vertaling uit het Engels door Ruud Bunnik



Op dit moment zijn er nog geen bijdragen voor dit thema.

Terug naar "Inculturatie" | Naar boven

Disclaimer
EnglishDeutschFrancaisEspanol