Hulp bij zelfdoding?  
Home > Thema's > Euthanasie > Hulp bij zelfdoding?

Hulp bij zelfdoding?

Zeg nooit nooit

Hulp om zinvol te kunnen leven is mijn eerste zorg bij mensen die lijden aan levensmoeheid; en niet hulp bij levensmoeheid. In het niet uitgezonden televisieprogramma Soeterbeeck van KRO/RKK zou ik te veel begrip getoond hebben voor het werk van zelfdodingsconsulent Ton Vink. Ik zou ook onvoldoende de absolute beschermwaardigheid van het leven naar voren hebben gebracht. Zo is er een beeld ontstaan over een programma dat niemand heeft gezien, behalve dan de redactie en de persoon die de uitzending blokkeerde. Helaas is daarmee niet mijn centrale zorg naar voren gekomen, met een daaraan gekoppeld voorstel. Ik heb namelijk gezegd dat Ton Vink het voordeel van de twijfel heeft gekregen in een voor mij huiveringwekkende zaak (zie kader). Het is niet niets als het gaat om zelfdoding. Dat meen ik voldoende te weten uit jarenlange contacten met nabestaanden van zelfdoding.

In de door censuur getroffen uitzending discussieerde Marinus van den Berg met zelfmoordconsulent Ton Vink, die vorige maand door de rechter was vrijgesproken. Vink, medewerker van De Einder, een stichting die steun verleent aan mensen die zelfdoding overwegen, had zich voor de rechter moeten verantwoorden omdat hij een vrouw actief bij haar zelfdoding zou hebben geholpen. De KRO oordeelde dat de opvattingen van Van den Berg over zorg voor het leven, ook bij het levenseinde, onvoldoende aan bod kwamen.

Angst

Sinds Huib Drion, voormalig rechter bij de Hoge Raad, kwam met zijn idee over een zelfdodingspil voor ouderen die hun leven als voltooid beschouwen of die levensmoe zijn – twee verschillende begrippen - gaat het debat nu over zelfdoding bij ontbreken van zingeving. Ik zelf heb tot op vandaag altijd naar zelfdoding gekeken als een noodsituatie met rampzalig te noemen gevolgen voor de nabestaanden. Dat is nog niet veranderd. Maar er zijn wel gradaties.

Zo zou er tegenwoordig een groeiende groep mensen zijn, vooral onder ouderen, die niet psychisch ziek zijn, die niet lijden aan een depressie, maar die hun leven als voltooid zien en weloverwogen en weldoordacht zelf dat leven willen beëindigen. Ze willen dat op een ‘schone’ manier doen, met medicijnen. Niemand weet op dit moment over hoeveel mensen het gaat. Er is ook niet zoveel duidelijkheid over het profiel van deze vrijwillig kiezende, potentiële zelfdoder. Wel wordt er regelmatig een beeld geschetst van ouderdom en afhankelijkheid die de angst voor alsmaar ouder worden en afhankelijkheid eerder doet toenemen dan dat zij die vermindert. Er ligt veel accent op het kostenaspect van de vergrijzing. Er is onvoldoende aandacht voor zingeving.

Ondertussen is het ervaren van zin en kunnen vinden van zin in onze tijd geen kleinigheid, zeker als je te maken krijgt met een opeenstapeling van verliezen in de relationele sfeer. Er is soms bijna niemand meer over met wie men een gevoel van verbondenheid heeft. Vereenzaming is een indringend sluipend proces met veel verschillende oorzaken.

Die vereenzaming krijgt bovendien meer kans in een cultuur en samenleving waar zaken als zolang mogelijk in het eigen huis blijven wonen, zoveel mogelijk onafhankelijk blijven, veel nadruk krijgen. Andere culturen kijken daar vaak vreemd tegen aan. Daarbij komt dat deze waarde van onafhankelijkheid eerder materieel dan immaterieel wordt ingevuld. Immobiliteit en afname van lichamelijke functies kunnen de eenzaamheid nog verder versterken. Bovendien doet zich de paradox voor dat men aan de ene kant alles in het werk stelt om levens te redden maar dat er tegelijk een grote verlegenheid is in het geven van morele en psychische ondersteuning aan hen die wel in leven zijn gebleven, maar het zelf vaak liever niet hadden overleefd. En laatste wilsverklaringen die zouden kunnen helpen bij het vaststellen van grenzen aan wat medisch-technisch mogelijk is, zijn meestal niet voorhanden. Mensen schuiven het denken over de eigen dood nu eenmaal liever voor zich uit. Zo is het te begrijpen dat mensen in leefsituaties terechtkomen die zij niet meer als menswaardig en leefbaar ervaren, hoewel dit zeer subjectieve begrippen blijken te zijn. Dit begrijpen betekent voor mij niet dat het accent gelegd moet worden op het recht op zelfdoding, maar dat er veel meer geïnvesteerd moet worden in hulp bij zinvol leven.

Kwetsbaar

Vele zaken tellen mee in de discussie over hulp bij zelfdoding. Zo valt me op dat verlieservaringen bij het ouder worden, zoals die van partner en/of eigen kind(eren), ernstig worden onderschat. Er is onvoldoende besef van de ernst van de aardschok die dit in de emotionele en zingevende levensgebieden teweeg brengt. Hoewel  voorstanders van hulp bij zelfdoding beweren dat mensen die levensmoe zijn niet lijden aan een depressie die verlicht kan worden, vraag ik me af hoe duidelijk dit onderscheid is en wie in staat is dit helder vast te stellen. Zijn filosofen daartoe voldoende geschoold? Het is in elk geval niet hun exclusieve gebied.

In de huidige discussie lijkt het liberale zelfbeschikkingsdenken het voortouw te nemen. Dit denken, dat zich al snel versmalt tot de one-liner dat men ‘recht zou hebben op…’, dient bevraagd te worden vanuit andere mensvisies die oog hebben voor de relationele en sociale aspecten van het leven en vanuit de vraag of het wel waar is dat je kunt zeggen dat het leven van de mens zelf is. Ik denk hier bijvoorbeeld aan het werk van Emmanuel Levinas.

Men heeft het vaak over ‘zelf’, alsof zo duidelijk is wat dat eigenlijk is. In het zelfbeschikkingsdenken is wel veel aandacht voor de autonome mens, maar weinig voor de mens als kwetsbaar wezen. Kwetsbaar en kostbaar. Er zijn voor mij dus nog tal van vragen vanuit diverse denkperspectieven; ook vanuit de dimensie van de kwaliteit van de hulpverlening.

Ik waag te zeggen dat er ook een zorgwekkende verlegenheid is gegroeid in het omgaan met zingevings- en geloofsvragen, nu de voorgegeven antwoorden voor steeds meer mensen niet meer werken. Er is nog veel te doen als het gaat om het signaleren van levensvragen en het doorverwijzen naar geschoolde en kundige gesprekspartners. In de bewuste uitzending die niet door mocht gaan, heb ik niet de absolute eerbiedwaardigheid van het leven betwist. Maar ik heb de eerbiedwaardigheid van het leven juist aangewezen als een bron van inspiratie en als een appèl om er aan te werken dat het leven ook als zodanig ervaren kan worden.

Tegelijk kan en wil ik er mijn ogen niet voor sluiten dat ondanks alles er toch mensen zijn die zeggen niet verder te kunnen of te willen leven. Het is een zonde van nalatigheid om deze vragen de rug toe te keren, of niet verder te komen dan een ‘nee, nooit’. We raken nu aan een huiveringwekkende situatie, waarop ik geen eindantwoord heb. Wel heb ik ervoor gepleit dat er parallel aan de euthanasiediscussie een veel meer doorzichtige praktijk wordt ontwikkeld.

Interdisciplinair

Artsen staan niet te trappelen om aan deze moeilijke discussie deel te nemen. Zij merken terecht op dat het allereerst om zingeving gaat. Daar staat tegenover dat medicijnen wel tot hun terrein behoren. Zij dienen in deze discussie dus een plaats te krijgen. In deze materie past geen informatie- en hulpverleningspraktijk die  ondergebracht is bij een ondoorzichtige particuliere stichting, zoals De Einder van Ton Vink. De plaats van artsen zou echter niet een solopositie moeten zijn maar een interdisciplinaire; samen met ethici, psychologen en geestelijk verzorgers. Er moeten niet alleen voorwaarden worden geformuleerd maar er moet ook verantwoording worden afgelegd. Ik heb ook gepleit voor het serieus erkennen van een groeiende problematiek om zo ongewenst isolement te doorbreken. Het is niet vreemd om levensvragen te hebben en zinloosheid te ervaren. Het is van belang dat daarover gepraat wordt en dat geleerd wordt die vragen en problemen te signaleren. Maar al te vaak denkt men dat er geen vragen zijn als er geen vraag is gesteld. Vragen worden niet alleen met woorden gesteld.

Er is een opvallende angst voor zorg, alsof we niet mogen laten weten dat we als mensen iets met elkaar willen hebben. Ik wil allereerst een verbond met het leven. Leven waarin eindigheid niet wordt weggedrongen maar in relatie wordt gebracht. Bij levensmoeheid moet het allereerst gaan over helpen bij het leven. Wie niet meer kan en wil leven zegt vaak: “Ik kan of wil niet meer op deze manier leven.” En als er situaties zijn waarin de wens om het leven tóch te beëindigen consistent, weldoordacht en welbesproken blijft, moeten we dan de deur sluiten? Het risico is dat de schade voor derden dan slechts groter wordt. Wat an sich niet kan, kan für sich soms anders worden.

We hebben een gedegen discussie nodig over veel zaken die niet aan een eenzijdig denken moeten worden overgelaten. De nieuwe regering zou hierin een initiatief moeten nemen en niet wachten op het werk van pressiegroepen. Samen werken, samen leven en samen denken! Ik pleit voor de spanning van de nuance die idealen hooghoudt, maar het werkelijke leven niet uit het oog verliest. Wie dat laatste wel doet, dreigt ongewild de geloofwaardigheid van zijn idealen te ondermijnen.

Marinus van den Berg

Auteur is verpleeghuispastor en publicist over afscheid, sterven en rouw.

Bovenstaande bijdrage is overgenomen uit VolZin van 23 februari 2007 (www.opiniebladvolzin.nl)



Op dit moment zijn er nog geen bijdragen voor dit thema.

Terug naar "Euthanasie" | Naar boven

Disclaimer
EnglishDeutschFrancaisEspanol